Het thema van deze bijeenkomst is “Loslaten”, alles kan veranderen.
Het is niet erg dat dingen ophouden of veranderen, omdat het toch weer anders doorgaat, er ruimte ontstaat voor iets nieuws. “Houd me niet vast”.

Alles is in beweging, alles verandert continu. We willen graag vasthouden, dat wat we kennen, dat wat goed voor ons is, daar waar we ons thuis voelen.

De paradox is dat als we vasthouden het onder onze handen verandert. Uiteindelijk is het niet meer dat wat is was. Dan nog proberen we vaak krampachtig iets in stand te houden. Gewoontes, de manier waarop we tegen iets aankijken, maar ook vriendschappen en liefdes. Wanneer we de vorm loslaten, vertrouwen hebben, dan kan het dóórleven. Het leven verandert immers voortdurend. De twee verhalen van vandaag sluiten hier mooi bij aan. Het eerste is een eigen ervaring, het tweede verhaal is een bewerking van een verhaal van Godfried Bomans.

De bron

Enige tijd geleden begeleidde ik een vrouw bij een aantal vragen in haar leven.
In de loop van onze afspraken komt verschillende keren het thema ‘bron’ terug. We vieren de afsluiting van het traject door op zoek te gaan naar een echte bron, een plek waar het water uit de bodem naar boven komt en het begin vormt van een beekje. In de omgeving waar ik woon zijn een aantal van dat soort plekken te vinden.

Als we een klein beekje zien volgen we de loop van het water naar boven, terug naar de bron. Ontroerend om te zien waar het allemaal begint. Tussen het gesteente welt het water met kracht op uit de bodem, bruisend stort het zich naar buiten om even later tot rust te komen in een klein bekken.

Adempauze.

Vanuit het bekken loopt een kleine stroom water naar beneden, spelend, buitelend over de stenen. Gaandeweg wordt het stroompje breder en breder. Wanneer we even stilstaan kijken we toe hoe het water zijn weg vindt tussen de stenen in de bedding. Nergens stroomt het rechtuit. Telkens zijn er obstakels: stenen, potscherven, wortels van bomen. Iedere keer opnieuw maakt het water een omtrekkende beweging. Soms is er even een luwte aan de zijkant waar het tempo eruit is, maar vaak beweegt het maar door en door.

We lopen verder naar beneden, regelmatig even stilstaand en kijkend. Wanneer we stroomopwaarts kijken valt het ons ineens op: het water dat van bovenaf alle kanten uit bewoog, komt vanuit dit perspectief ineens in een rechte lijn naar ons toe. Alsof al het voorgaande als vanzelfsprekend geleid heeft tot wat er hier is.

We volgen de loop van de stroom verder naar beneden. Nu de bedding breder is, stroomt het water ook rustiger. De omgeving verandert, er zijn hier meer grotere bomen en ook de onderbegroeiing ziet er anders uit. Uitbundiger. Tegelijkertijd is er rust, ruimte, gemak, de beek neemt haar volle ruimte in. De laatste halte voor de beek de rivier in zal stromen en opgaan in het grotere geheel.

Zittend op een boomstam, genieten van wat drinken en wat te eten, zijn we stil. We zijn precies daar waar we nu zijn, in de stroom van ons eigen leven.

Lisette

De wolkenboom

Er was eens een jongetje, een jongetje dat dol was op wolken. Toen hij klein was en bij zijn vader op de arm zat wees hij met zijn vingertje naar boven en kraaide hij van plezier bij het zien van die lucht die er telkens anders uitzag. Later toen hij kon praten vroeg hij aan zijn vader: ‘Papa, hoe ziet de wereld er uit als je in de wolken bent? ‘Alles is daar wit’, zei zijn vader, ‘en het is er muisstil’. Dat antwoord beviel het jongetje en hij zei: ‘ ik wil graag in de wolken zijn’.

Toen het jongetje groot genoeg was klom hij de trap op naar de zolder en keek uit het raam. Hij was hoog, maar nog niet hoog genoeg. Ver boven zijn hoofd zag hij de witte wolken door de blauwe hemel zweven. Hij kon er nog steeds niet bij. ‘Ik ga een boom planten’, dacht het jongetje, ‘en die noem ik de wolkenboom. En als hij groot genoeg is, dan klim ik op de takken en stap ik zo op de wolken.’ Buiten op straat keek hij overal of hij ergens een eikel zag liggen en ja, in de goot zag hij er een liggen. Thuis stopte hij de eikel in de bloempot en elke morgen, zo gauw hij wakker was, rende hij de trap af naar beneden om te kijken of de wolkenboom al tevoorschijn kwam. En op een ochtend was hij er! Je zou niet zeggen dat daar ooit een boom uit zou groeien, zó klein was het plantje, maar het jongetje was vol vertrouwen. Hij zette de pot in de vensterbank en elke morgen, voor hij naar school ging, goot hij wat water in de zwarte aarde.

Na drie jaar was het boompje zo groot geworden dat de wortels uit de pot barstten. De jongen plantte de boom in de tuin en elke morgen voordat hij naar school ging…. Nee, dat is niet waar, hij ging niet naar de wolkenboom. Toen hij hem eenmaal in de tuin had gezet vergat hij de boom. Hij werd groter en ouder en hij geloofde niet meer in wolkenbomen. Wolken waren wolken, een verzameling waterdruppels en daarboven was niets. Dat had hij op school geleerd en daarom vergat hij de boom.

Maar de boom was de jongen niet vergeten. Toen hij nog klein was had hij een stem gehoord die zei: ‘Jij gaat naar de wolken toe’, en dat was hij nooit vergeten. Hij strekte zijn wortels diep in de aarde en rekte zijn kleine kruin steeds hoger naar de hemel. ‘Al gelooft niemand meer in me’, dacht hij bij zichzelf, ‘ik ga door, want ik ben voor de hemel geboren.’

De jaren gingen voorbij en de boom werd groter en groter. De vader van de jongen stierf en later zijn moeder ook. En de jongen, die inmiddels een volwassen man was geworden, bleef alleen wonen in het huis. Regelmatig liep hij door de tuin en dan stond hij even stil bij de boom. Op een dag liep er een jonge vrouw naast hem, haar hand in de zijne. Ze hielden van elkaar en wilden wel trouwen, maar er was ook twijfel. ‘De boom moet weg’, zei ze, ‘hij neemt al het licht weg uit de tuin.’ De jongen die een man was geworden, stond stil en keek haar aan. ‘Als je dat echt wilt dan gaat de boom weg’, antwoordde hij, ik heb hem zelf geplant en het gaat me aan het hart, maar jij bent me meer waard dan dat. ’Op dat moment begreep zij dat hij echt van haar hield. Ze sloeg haar armen om zijn nek en zei: ‘de boom mag blijven’, want hij brengt licht in mijn leven.’ Toen begreep de man dat ook zij echt van hem hield. Ze trouwden en vanaf dat moment woonden ze met zijn tweeën in het huis.

Bewerking van een sprookje van Godfried Bomans

‘Daar heb ik een stukje aan bij gedragen’, dacht de boom bij zichzelf en al zijn bladen ritselden toen hij dat dacht. Maar ondertussen vergat hij niet waarvoor hij was geplant en hij groeide krachtig voort.

En op een dag wandelde de man met een jongetje in de tuin. Hij was nu zelf vader. ‘Wat een hoge boom’, zei het jongetje, waar gaat die naar toe?’
‘Dat is de wolkenboom’, antwoordde de vader, ‘want hij gaat naar de wolken toe.’
‘Hoe ziet de wereld eruit als je in de wolken bent?’, vroeg het jongetje. Toen herinnerde de man wat hij als kind van zijn vader had gehoord en hij zei: ‘Alles is daar wit en het is muisstil.’ Dit antwoord beviel het jongetje. Hij dacht vaak na over de wolken en het liefst zou hij daar zijn, in de wolken. Elke dag voor hij naar school ging, gaf hij de boom water uit een klein emmertje dat hij speciaal daarvoor had klaargezet. De boom vond het heerlijk en ritselde met zijn bladeren. Hij groeide en groeide, maar ook het jongetje werd groter en groter en op een dag vergat hij de boom. De wolken waren gewoon wolken, een verzameling waterdruppels en daarboven was niets. Dat had hij op school geleerd. Maar de boom vergat het jongetje niet. Hij herinnerde zich hoe het kind ooit in vertrouwen naar hem had opgekeken en dat onthield hij. Hij wist waar hij ooit voor was geplant en zijn wortels groeiden door tot onder de tuin van de buren. Zijn stam werd dik en zijn kruin groeide tot voorbij de dakgoot van het huis.

De jongen woonde inmiddels alleen in het huis. Ook zijn ouders waren gestorven en ook hij was een man geworden. Maar trouwen deed hij niet. Hij wilde wel, maar hij kon de ware niet vinden. Want telkens als hij een vrouw gevonden had waar hij van dacht te houden, kwam het moment dat zij zei: ‘Die boom moet weg, want hij neemt al het licht weg in de tuin.’ En dan zei hij: ‘Als je dat echt wilt, dan gaat hij weg. Ik ben erg gehecht aan de boom, mijn vader heeft hem ooit geplant, maar jij bent me liever.’ En dan wachtte hij op het antwoord dat zijn moeder ooit aan zijn vader had gegeven, want daardoor kon hij zien dat zij werkelijk van hem hield. Dat zij net als hij bereid was een offer te brengen. Maar dat antwoord kwam nooit. De vrouw sloeg dan haar armen om de nek van de man en zei: ‘Ik ben blij dat hij gekapt wordt en dat je dit voor mij overhebt.’ Maar dat was het hem niet waard. De boom was hem lief en zo bleef hij ongetrouwd.

Op een dag wandelde hij door de tuin. Hij voelde zich verdrietig. Bij de boom bleef hij stilstaan. Wat hij niet wist was dat de boom zich ook bedroefd voelde. Altijd had hij geluk gebracht en nu bracht hij verdriet. De boom ritselde hij met zijn bladeren en fluisterde: ‘Ik wil weer een kind zien dat in mij gelooft.’ Maar de man verstond hem niet. Hij nam zijn mes en sneed in de stam van de boom een hart. Hij deed er drie dagen over, want het hart was groot en hij kerfde diep. Op de plaats waar het hart in de boom was gesneden werd de boom ziek. In twee jaar verloor hij al zijn bladeren en het derde jaar viel hij om, bovenop het huis en het huis stortte in. Onder het puin werd de man gevonden, hij leefde nog. Toen hij de ogen opende, lag hij in een witte kamer. Het was er muisstil. Een man in een witte jas boog zich over hem heen en voelde zijn pols. Maar hij zei niets. Toen kwam er een vrouw aan zijn bed en legde haar hand op zijn voorhoofd. Ook zij was in het wit gekleed en ook zij zei niets. ‘Vader had toch gelijk’, dacht de man, ‘ik ben in de wolken’.

De vrouw week niet van zijn bed. Zij bracht hem eten en glimlachte dan. Soms wilde hij wat zeggen om haar te bedanken, maar zij legde haar vinger op de mond en schudde van nee. ‘Het hindert ook niet,’ dacht de man, ‘want ik heb haar toch gevonden.’
En dat was ook zo, want toen hij beter was vroeg hij of zij met hem wilde trouwen en ze zei meteen JA.

Het huis werd opnieuw gebouwd en na een jaar kregen ze samen een kind. ‘Ik ben nog steeds in de wolken,’ dacht de man, ‘en mijn geluk zou volmaakt zijn als die oude boom nog leefde. Maar de boom lééfde. Hij leefde voort in de wieg waar zijn kind in lag. Want die wieg was van het hout van de oude boom gemaakt en toen hij goed keek zag de man boven het hoofd van het kind het hart dat hij zelf had gesneden. ‘Goede oude boom,’ zei de man, ‘wat heb je mij veel geluk gebracht.’ Dit hoorde zijn vrouw en zij vroeg hem wat het betekende. Maar hij zei het niet,

Doorgeven van het voorwerp:

Wat draag jij met je mee, wat koester je, wat is er wat altijd doorgaat, ook al verandert de vorm?