Rob, onze spreker voor vandaag, was fleurig uitgedost. Vanzelfsprekend, want we zaten midden in de carnavals dagen. Rob vertelt een verhaal over het Poerimfeest. Op dit Joodse feest wordt herdacht dat het Joodse volk – dat in het Perzische Rijk in ballingschap leefde – een wending nam en van uitroeiing werd gered. Het feest heeft een uitbundig en vreugdevol karakter, en is vol met vrolijke liedjes en verkleedpartijen. Het verhaal gaat over ESTER, ofwel DE KEER VAN HET LOT
Lang geleden was er een koning, Achasjverosj 2) geheten. Hij regeerde over het onmetelijke rijk van de Meden en de Perzen, dat zich uitstrekte van India tot Ethiopië. Het imperium omvatte wel 127 provincies. Na de twee eerste woelige jaren van zijn regering voelde Achasjverosj zich zeker genoeg om zijn koningschap luister bij te zetten en zijn macht en rijkdom aan het volk te tonen. Maandenlang waren er schitterende feesten in de hoofdstad Sjoesjan en in het koninklijk paleis. Als besluit van al die festiviteiten was er in de binnenhof van het paleis een groots feestmaal, dat wel een week duurde. Alle Perzen en Meden van enige betekenis namen er aan deel, de ministers, de leden van de straatsraad, de generaals, de gouverneurs, de grootvorsten en de hertogen. Draperieën van fijn linnen, wit en blauwpurper van kleur, waren aan albasten zuilen bevestigd met roodpurperen koorden en zilveren ringen; op een mozaïekvloer van porfier, albast, parelmoer en gekleurde stenen stonden rustbanken van goud en zilver. Er werd wijn geschonken in gouden bekers, waarvan sommigen zeggen dat ze geroofd waren uit de tempel in Jeruzalem. De wijn vloeide rijkelijk. Op de zevende dag ging het dronkemansgesprek aan tafel bij de koning over vrouwen; de hoge heren bralden laveloos een eind weg over de schoonheid en wulpsheid van hun vrouwen en minnaressen en de koning pochte nog het luidst; behoorlijk aangeschoten wankelde hij overeind en zei: – Mijn koningin Vasjti is de mooiste, beeldschoon gezicht, volmaakt figuur, boezem van de bovenste plank, haar heupen rond en stevig maken een man gek. Haal haar maar, schreeuwde hij naar zijn dienaren, haal haar maar hier en zeg, dat ze alleen haar kroon draagt! Een hele delegatie van dienaren betrad beschroomd de zaal van het vrouwenpaleis, waarin koningin Vasjti een feestmaal gaf aan de dames. – Majesteit, sprak de eerste – Vergunt u ons, sprak de tweede – de wil van uw echtgenoot, de koning, over te brengen, sprak de derde – om met ons mee te komen naar de koning, sprak de vierde – gekleed in eh …, sprak de vijfde – alleen uw kroon, sprak de zesde – om voor hem een dans uit voeren, sprak de zevende. Koningin Vasjti werd doodsbleek. Ze vermande zich, stond op en zei moedig: – Nee! Ik kom niet. Zeg aan mijn heer, de koning, dat ik niet kom naar zijn drinkgelag.
Toen de koning deze boodschap hoorde stikte hij bijna van woede. Hij riep onmiddellijk de leden van de Staatsraad bijeen. Geheel van zijn stuk en nog trillend van razernij zei hij: – Wat pleegt men te doen met een koningin die het bevel van een koning niet opvolgt? Een dreigende stilte viel en de zeven raadslieden keken elkaar hulpeloos aan tot de voorzitter van de Raad de stoute schoenen aantrok en een verlossend woord sprak: – Majesteit, wat er gebeurt is betekent een ernstige ondermijning van het mannelijk gezag. Ook mijn eigen vrouw heeft dat soort kuren en de vrouwen van mijn collega’s, ja de vrouwen in heel uw rijk worden met de dag opstandiger en ongezeglijker. Als de vrouwen ook nog horen dat de koningin uw bevelen niet opvolgt en met haar ongehoorzaamheid ongestraft wegkomt, is het hek van de dam. Maar misschien is dit incident rond de koningen een verborgen zegen; laat uwe majesteit een wet afkondigen, een wet van Meden en Perzen, waarin bekend wordt gemaakt, dat koningin Vasjti wordt afgezet en waarin opnieuw in uw hele rijk aan het volk bevestigd wordt dat de man de baas in huis is. Dat vond de koning een goed idee. Herauten vertrokken spoorslags naar alle delen van het rijk met in alle talen de boodschap: de man is de baas in huis en in het kader daarvan is koningin Vasjti afgezet . Wat er met koningin Vasjti verder is gebeurd vermeldt de geschiedenis niet, maar het gerucht gaat dat ze is ondergedoken en een clandestiene vrouwenbeweging heeft opgezet, die vele eeuwen later weer is opgedoken.
Wie wordt de nieuwe koningin? Toen de koning weer nuchter en gekalmeerd was miste hij zijn mooie Vasjti en wilde hij haar terug; maar ja, ze was weggestuurd volgens een wet van Meden en Perzen en die kan nooit meer herroepen worden. Toen hij dat besefte raakte hij in een diepe depressie, die vele jaren duurde. Bezorgde hovelingen vonden een oplossing. Met goedvinden van de koning werd er onder supervisie van het Hoofd Vrouwenzaken Hegai een landelijke actie gestart onder het motto: wie wordt de nieuwe koningin? Herauten trokken er weer op uit naar alle provincies met deze bekendmaking en ook in de hoofdstad Sjoesjan werden alle mooie meisjes opgeroepen. Daar woonde ook Mordechai. Mordechai was een Jood. Toen Jeruzalem was gevallen was hij met duizenden anderen naar Babylonië gevoerd. Hij was de pleegvader van zijn nicht, die wees was en Hadassa heette. Hadassa was bijzonder lief en mooi. Ze werd dan ook door de scouts van de koning ontdekt en naar het paleis gebracht. Toen Hadassa in alle haast en in tranen afscheid nam van haar oom zei deze: – Hadassa, zeg niet dat je een Jodin bent! – Waarom niet oom?, vroeg ze – Ik heb een voorgevoel. Zeg dat je Ester heet. – Ester? – Ja, Ester. Dan denken ze dat je naar de godin Isjtar bent genoemd. In het hebreeuws betekent het ‘ik zal mij verbergen’, maar dat zal niemand doorhebben.
Ester kwam gemakkelijk de eerste ronde door. Ze werd genomineerd voor de finale. De meisjes kregen allemaal een ruim budget voor schoonheidsbehandelingen en een jaar de tijd om zich voor te bereiden op een beslissende nachtelijke ontmoeting met de koning. Velen hen deden de gekste dingen om maar zo mooi mogelijk te worden tot en met allerlei ingewikkelde cosmetische en plastische correcties van boven tot beneden toe. Ester deed daar niet aan mee. Ze beperkte zich tot wat oliebaden. Ze was aan Hegai opgevallen die haar een mooie kamer gaf en een paar goeie tips. Toen was het haar beurt voor een nacht met koning Achasjverosj. Op weg naar het koninklijk slaapvertrek wekte ze de bewondering van allen die haar voorbij zagen komen. Ze had een grote natuurlijke uiterlijke schoonheid en een innerlijke schoonheid die onweerstaanbaar naar buiten straalde. Al die schoonheidsmiddelen had ze goed beschouwd niet nodig. Ook de koning raakte diep van haar onder de indruk. In de nacht was er iets bijzonders gebeurd, want de koning zei de volgende ochtend tot haar: – Je hebt me heel blij gemaakt. – Ook ik ben blij dat ik genade heb gevonden in uw ogen, mijn heer, zei Ester – Ester, ik geloof dat ik van je hou, fluisterde de majesteit. Dat had hij nog nooit tegen iemand gezegd.
Zo werd Ester verkozen tot de nieuwe koningin, in het zevende jaar van de regering van koning Achasjverosj. Al die tijd had ze contact gehouden met oom Mordechai. Deze was ambtenaar in een van de ministeries. Hij had een kamer in het kantoor bij de paleispoort. Via de hovelingen hield hij contact met zijn geliefde pleegdochter. Op een dag luisterde hij toevallig een gesprek af, dat plaats vond in een kamer naast de zijne: twee generaals voelden zich schromelijk gepasseerd en vernederd door Achasjverosj en zonnen op wraak; ze beraamden een plan om hem te vermoorden. Mordechai schreef snel een briefje en liet dat aan koningin Ester bezorgen, die het weer doorbriefde aan de koning. De opstandige generaals werden aangehouden, aangeklaagd, schuldig bevonden, ter dood veroordeeld en geëxecuteerd. De koning was persoonlijk aanwezig toen de zaak te boek werd gesteld in de kronieken van de regering van koning Achasjverosj. 3)
Haman en de Joden Jaren gingen voorbij en een nieuwe ster was aan het hof verschenen: Haman. Haman, afkomstig uit het volk van Amalek en nakomeling van koning Agag, werd geplaatst boven alle andere ministers en staatsraden als oppergroetvizier met speciale voorrechten. Zo moesten alle beambten, ook die in het ministerie bij de paleispoort, knielen en buigen als Haman voorbijkwam. Dat deden ze dan ook, behalve Mordechai. Zijn collega’s waarschuwden hem, iedere dag weer: – Mordechai, je neemt een groot risico; straks merkt zijne excellentie heer Haman, dat je als enige overeind staat en dan kan je het wel schudden. Maar Mordechai hield voet bij stuk. Ze waren verbaasd over Mordecha’s koppigheid en overlegden met elkaar: – Wat is er met die Mordechai aan de hand? – Hij houdt wel vol, die koppige ezel. – Ik snap het wel. Hij is een Jood en die mogen niet knielen, niet voor beelden, niet voor mensen, alleen voor hun God en dan nog alleen één keer per jaar, geloof ik – Aha, een Jood, ja, die hebben zo hun eigenaardigheden – Er speelt ook nog iets van een oude vete tussen die Joden en het volk van Amalek, heb ik wel eens gehoord. – Laten we Haman maar eens inlichten over die Mordechai. Kijken hoe lang hij het volhoudt, dat niet buigen.
Toen Haman, de Amalekiet, hoorde over Mordechai, dat deze nooit één keer gebogen had en dat hij een Jood was, werd hij razend. 5) – Joden, dacht hij zichzelf, joden hebben mijn voorvader koning Agag van Amalek verraderlijk vermoord 6), velen van mijn volk over de kling gejaagd, op die joden zal ik wraak nemen, dit is mijn kans. Nu ik de macht heb zal ik galg na galg oprichten, te beginnen in Sjoesjan. Een voor een zal ik ze ophangen tot ze stinken. Ze zullen hangen zolang het hygiënisch verantwoord is. Als de ene groep is losgemaakt komt de volgende groep aan de beurt en dat zal doorgaan tot de laatste jood in Sjoesjan is uitgeroeid. Zo zal het gaan in alle provincies tot het rijk gereinigd is van de laatste jood. Hij vroeg onmiddellijk belet aan bij de koning en zei: – Majesteit, er is een belangrijke zaak te bespreken, het betreft de joden. – Joden, wie of wat zijn dat?, de koning keek afwezig van zijn schaakprobleem op. – Het is een volk in uw midden, dat de draak steekt met de waardigheid, de integriteit en de rechten van de Perzen en de Meden, en dat volk zijn de joden. Hoewel ze maar een kleine minderheid zijn domineren de joden een belangrijk deel van de financiële centra en de centra van politieke besluitvorming in uw rijk op een complexe en heimelijke manier. Het is rampzalig om te zien hoe sommige van uw politici en gouverneurs relaties met hen leggen in de hoop op geldelijk gewin en steun van de media, die zij ook beheersen. De joden hebben hun eigen agenda en hun eigen wetten. De joden zullen binnen een paar jaar hun masker afwerpen en uw andere onderdanen van hun eigen intellectuele leiderschap beroven om hen rijp te maken voor permanente onderwerping. U kunt ze niet hun gang laten gaan. Ik stel tien miljoen ter beschikking om de zaak op te lossen en de joden over de kling te jagen, als u mij machtigt en een wet uitvaardigt met dat oogmerk. – Beste Haman, het zal wel goed zijn; maak die wet maar klaar, hier is mijn zegelring, zei de koning en nam een flinke slok wijn, ook een beker? Dit is een prima wijntje, Haman, schuif aan.
Het lot werd geworpen voor de fatale dag voor de Joden: het viel op de dertiende dag van de maand Adar. Op de dertiende dag van de maand Nisan – in het twaalfde jaar van Achasjverosj’ regering – werden de brieven geschreven en gezegeld met het koninklijk zegel: een klein jaar later, op 13 Adar, moesten alle Joden, van jong tot oud vermoord worden. De herauten vertrokken weer naar alle provincies met in alle talen deze rampzalige boodschap. Tot in de uithoeken van het rijk raakte de anti-joodse wetgeving bekend, overal klaagden de Joden luid en hulden zich in zak en as. Ook Mordechai scheurde zijn kleren en gehuld in een zak en met as op zijn hoofd liep hij door de stad naar zijn kantoor bij de koningspoort en daar ging hij zitten. Koningin Ester wist nog van niets; ze stuurde haar persoonlijke secretaris op haar oom af om te vernemen wat er aan de hand was. Deze functionaris bracht haar op de hoogte van de ramp die haar volksgenoten boven het hoofd hing en toonde haar een kopie van de noodlottige wetstekst. Tevens las ze het dringend verzoek van Mordechai aan haar om naar de koning te gaan en om genade te smeken voor haar volk. Ester schreef terug: – Liefste oom Mordechai, u weet toch dat achterdocht het protocol regeert. Iemand die zomaar ongenood bij de koning binnenvalt wordt onmiddellijk een kopje kleiner gemaakt. Dat geldt zelfs ook voor de koningin. Een enkele keer reikt hij zijn gouden scepter aan en dan breng je het er voorlopig levend vanaf. Bovendien heeft de koning mij al dertig dagen niet in zijn bed ontvangen; misschien ben ik nu al in ongenade gevallen. Uw liefhebbende docher. Mordechai schreef terug: – Mijn lieve Ester, denk maar niet dat jij als koningin buiten gevaar bent. Misschien overleven de Joden het als volk wel, dat geldt zeker niet voor jou en mij en onze familie. Wie weet ben je niet voor niets koningin geworden en ligt nu je ware bestemming voor je: om in dit bange uur op te treden. Ten allen tijde je liefhebbende oom en vader, Mordechai. Ester antwoordde: – Mijn lieve oom en vader, roep alle joden in de hoofdstad Sjoesjan bij elkaar. Vast drie dagen lang en bidt. Ik zal met mijn hofdames hetzelfde doen en dan ga ik naar de koning. Een groet van uw doodsbange maar vastbesloten nicht en dochter.
Het verzoek van koningin Ester; de val van Haman Op de derde dag van het vasten kleedde Ester zich in haar mooiste koninklijke robe en ging door de binnenhof naar de troonzaal. Ze ging net voor de ingang van de troonzaal staan, zodat de koning Achasjverosj haar vanaf zijn troonzetel kon zien. Toen de vorstelijke echtgenoot zijn lieftallige favoriete vrouw in het oog kreeg welde de oude liefde, samen met een flinke scheut nieuwsgierigheid, in hem op. Hij stak haar zijn gouden scepter toe! Ester kwam naar binnen, liep voorzichtig naar de troon en raakte de scepter aan. De koning zei: – Ah Ester, lieve koningin van mij, ik zie dat je me iets wil vragen. Al is het de helft van mijn rijk, ik zal het je geven. Een moment raasden de gedachten door het hoofd van de jonge vrouw. Toen was het alsof een helder licht in haar geest viel 7). Beheerst vroeg ze: – Mijn heer, mag ik u uitnodigen om vandaag in het vrouwenpaleis bij mij een feestelijke maaltijd te genieten, samen met de oppergrootvizier Haman. – Haal Haman, beval de vorst zijn personeel, wij zullen komen. Zo zaten verderop die dag Achasjverosj en Haman aan tafel bij koningin Ester. De koning nam een flinke teug uit zijn beker wijn en nieuwsgierig en ook ongerust vroeg hij: – Ester, ik zie dat een belangrijke vraag je op de lippen brandt. Kom, zeg het mij en laat me weten wat je wilt; al is mijn halve koninkrijk. – Mijn heer en echtgenoot, wat ik zou willen – ze aarzelde even maar hernam zich beheerst – , wat mijn wens is is dat u en Haman morgen weer aan mijn dis zitten. Dan zal ik mijn definitieve antwoord geven. – Wij zullen komen, zei de koning.
Haman verliet het paleis in opperbeste stemming. Maar dat duurde niet lang. Hij kwam door de koningspoort en daar zag hij Mordechai zitten. Haman lette scherp op. Zou Mordechai eindelijk buigen en knielen als hij langs hem kwam gereden of zou hij inderdaad blijven zitten? Ja hoor, hij bleef gewoon zitten. Thuisgekomen wachtte zijn vrouw Zeresj hem verwachtingsvol op. – En? vroeg ze – Mijn geluk is bijna volmaakt, zei Haman. De koningin heeft mij tot twee keer toe samen met de koning uitgenodigd. Ze keek me met een heel speciale blik aan. Ik denk dat ze een plannetje met mij wil uitvoeren. Wie weet heeft ze het in haar hoofd samen met mij de koning opzij te schuiven. De koningsmantel zou mij niet misstaan, wel? De enige smet op mijn geluk is de jood Mordechai; hij blijft gewoon op z’n krent zitten, als ik voorbij kom. – Richt een galg op, zo’n hoge van vijftien meter, zei zijn vrouw Zeresj, en vraag de koning morgenochtend om een executiebevel, daar knapt je humeur vast van op. Zo werd er nog diezelfde dag een enorme galg opgericht voor Mordechai.
Die nacht kon Achasjverosj de slaap niet vatten. Allerlei zorgen speelden door zijn hoofd. Wat wilde koningin Ester in hemelsnaam. Voerde Haman iets in zijn schild? Hing er weer de zoveelste aanslag in de lucht? Wie zouden een reden kunnen hebben om hem, de koning, te vermoorden? Midden in de nacht liet hij de hofarchivaris komen met de annalen van zijn regering en hij liet hem daaruit voorlezen. Zo tegen het ochtendgloren las de archivaris het stuk voor over hoe dank zij de tip van Mordechai een moordaanslag door twee generaals – alweer vier jaar geleden – was verijdeld. – Heeft die Mordechai daar nog een ridderorde of een ander eerbewijs voor gekregen?, vroeg de koning. – Neen, uwe majesteit, niets. – Laat onmiddellijk een minister komen, beval de koning. – Daar komt zijne excellentie de oppergrootvizier Haman net aan, zie ik, zei de archivaris. Haman kwam binnen en wilde net over het executiebevel voor Mordechai beginnen, maar de koning gaf hem geen kans en vroeg: – Haman, stel dat jij koning was, hoe zou je een verdienstelijk mens dan eer bewijzen? Hij bedoelt mij natuurlijk, dacht Haman en hij zag zijn ster nog hoger rijzen. Hij sprak: – Majesteit, een koningsmantel zou ik uit uw garderobe halen en uit de koninklijke stallen een paard, getooid met een koningskroon. En één van uw ministers moet hem die mantel omdoen en hem op het paard zetten en hem over het stadsplein laten rijden, en die minister moet dan voor hem uit lopen en roepen: zo bewijst de koning eer! – Juist, zei de koning, zo moet het gebeuren. Haal die mantel en dat paard, Haman, jij bent de man die dit mag uitvoeren en de man die ik deze eer wil bewijzen is Mordechai.
Haman gaf geen kik. Hij deed zoals hem bevolen was en leidde de met koningsmantel getooide en op het koninklijk paard gezeten Mordechai over het grote plein. 8) – Ajajaj, zei zijn vrouw toen ze dat alles van haar echtgenoot hoorde, dat belooft niet veel goeds.9) En Haman begaf zich met een onheilspellend gevoel in zijn maag naar de eetzaal van koningin Ester. Zo zaten ze voor de tweede maal voor een uitgebreide maaltijd aan tafel alle drie, Ester, Achasjverosj en Haman. De koning nam een flinke teug uit zijn beker wijn en nieuwsgierig en ongerust vroeg hij dringend: – Ester, ik zie dat een belangrijke vraag je op de lippen brandt. Kom, zeg het mij en laat me weten wat je wilt; al is het mijn halve koninkrijk. Nu was het moment. Ester waagde de sprong. – Majesteit, geliefde heer en echtgenoot, als ik nog maar een beetje geliefd bij u ben en als u het wil: schenk mij dan het leven! – Het leven?, vroeg de koning stomverbaasd – Ja, het leven, aan mij en aan mijn volk, zei Ester – Jouw volk? – Het joodse volk, mijn heer, want we zijn verkocht om gedood te worden, uitgeroeid. Als we verkocht zouden zijn als slaven en slavinnen, zou ik u niet lastig hebben gevallen; dat zou ook een ramp zijn, maar dan was de schade nog te dragen. Maar nu … – Wie zou zoiets doen, vroeg de vorst verbijsterd. – Die daar! Ester wees op Haman.
– Die man daar, die ellendeling, dat is de vijand. De koning sprong op en wit van woede rende hij de tuin in. Haman kromp ineen van angst. Hij kroop naar de rustbank waarop Ester lag. Hij smeekte om zijn leven. – Genade, heb genade, spaar mijn leven! Met die woorden liet hij zich half op de rustbank vallen en greep de koningin om haar middel. Net kwam de koning weer binnen. – Ook nog de koningin aanranden, nog wel in mijn eigen huis, schreeuwde hij. – Er staat al een galg, een hoge van vijftien meter, bij Haman’s huis, zei een van de hofmeesters fijntjes. Die heeft hij opgericht voor Mordechai, u weet wel, de man die uwe majesteit ooit zo’n grote dienst heeft bewezen. – Hang de man Haman daaraan, beval de koning. Aldus geschiedde. Wie een galg opricht voor een ander, komt er zelf aan. Haman werd gehangen. Aan Ester kwamen Hamans bezittingen. Mordechai kreeg het beheer erover. Bovendien kreeg Mordechai vrije toegang tot de koning, die hem ook de zegelring gaf, die hij ooit aan Haman had gegeven. de joden gered; het Poerim feest Er bleef echter nog een reusachtig probleem over: het wettelijk bevel van de koning aan zijn onderdanen om de joden uit te roeien stond nog steeds levensgroot overeind. De volkeren van het rijk wisten niet beter of op de dertiende dag van de maand Adar hadden ze de plicht om alle joden over de kling te jagen. En tot overmaat van ramp betrof het hier een wet van Meden en Perzen en die mocht nooit en te nimmer worden herroepen. Ester en Mordechai wendden zich wanhopig tot de koning en smeekten hem hier iets aan te doen. De koning gaf Mordechai een vrijbrief om binnen de wettelijke mogelijkheden een oplossing te verzinnen om deze noodlottige ontwikkelingen een halt toe te roepen. Mordechai had een geniale inval.
De rampzalige wet van de koning kon inderdaad niet worden herroepen, dat is waar, maar er kon wel een nieuwe wet worden gemaakt, die de joden het recht gaf zich op die fatale dertiende dag van de maand Adar te verdedigen. Aldus werd een nieuw wettelijk voorschrift geformuleerd, bezegeld met het zegel van de koning. Mordechai zette de hele secretarie van de koning aan het werk. Juristen, klerken, vertalers, kopiisten gingen aan de slag. Want moet je nagaan: al die 127 provincies, waar het nieuwe besluit bekend moest worden, kenden vele volken en talloze talen met ieder hun eigen schrift. En in iedere taal en in ieder schrift moesten ontelbare kopieën worden gemaakt. En die moesten dan weer op tijd de verste uithoeken van het rijk bereiken. De allersnelste paarden uit de koninklijke stallen werden ingezet en daar trok weer een leger van boden en herauten erop uit om van India tot Ethiopië aan al die volken – inclusief natuurlijk de joden zelf – het nieuwe wettelijk besluit bekend te maken, dat de joden zich op 13 Adar tegen hun vijanden te weer mochten stellen en dat ze zich mochten voorbereiden op de verdediging. Toen het nieuwe wetsbesluit bekend was geworden, waren de joden onbeschrijflijk opgelucht over deze keer in hun lot. Maar anderen werden bang over deze gunstige wending voor de joden en sloten zich bij hen aan. Toen de dertiende dag van de maand Adar was aangebroken waren de joden materieel, militair en moreel uitstekend voorbereid op eventuele aanvallen. Vele vijanden die ondanks alles toch een kans roken om joden aan te vallen, te doden en te beroven, lieten het leven, zowel in de provincies als in de hoofdstad Sjoesjan. Onder hen waren ook de zonen van Haman. Voor wie van getallen houdt: ongeveer tachtigduizend vijanden sneuvelden, dat is plus minus zeshonderdenveertig per provincie. Maar de joden maakten geen buit, hoewel hen daartoe het recht verleend was. Zo was een grote dreiging afgewend. Verdriet was verkeerd in blijdschap. Rouw was veranderd in vreugde. De tijd van vasten was voorbij, de tijd van feesten aangebroken. Haman was dood, Mordechai de nieuwe oppergrootvizier. En deze stelde samen met koningin Ester een nieuw feest in, een feest voor de joden om hun verlossing uit benauwenis te gedenken: het lotenfeest, ofwel het feest van Poerim. En Poerim werd overal in de provincies van het rijk van Meden en Perzen gevierd met het genieten van heerlijke gerechten, blijdschap en giften aan de armen. En zo wordt het nog steeds gevierd en zo zal het in de toekomst gevierd worden, zelfs nog in de tijd, als de masjieach is gekomen.10)