Lisette begon met een jeugdherinnering.

Als meisje van 6 á 7 jaar heb ik een verhaal over een hertje overgeschreven, enkel en alleen omdat ik het zo heerlijk vond om die mooie letters te schrijven.

Mijn moeder en een mevrouw die op bezoek was vroegen of ik dat ‘zelf had geschreven’?
Trots zei ik ‘Ja’, om vervolgens halverwege de trap terug naar boven mijn vergissing te ontdekken. Ze hadden gevraagd of ik het verhaal zelf had verzonnen en ik had het alleen maar ‘overgeschreven’. Mijn schaamte was zó groot dat ik niet terug durfde om de vergissing recht te zetten. Op dit moment deden schuld en schaamte hun intrede in mijn leven.
Het hertje werd een symbool van verloren onschuld. Een ‘onschuldig’ verhaal met grote gevolgen. Het werd het thema van mijn leven. Wat had ik een behoefte gehad aan iemand die mijn schrik had gezien en benoemd en me op dat moment had getroost. Jaren later heb ik als volwassen vrouw voor mezelf een knuffel gekocht, een hertje, als symbool voor de onschuld van het kind.

Tenzin’s hert

In het oude Tibet galoppeerden de paarden vrij over de open vlakten. De hoge bergen van de Himalaya beschermden het land tegen de ijskoude wind en het smeltwater bevloeide de vlakten. Onder een uitgestrekte hemel leefden de mensen vreedzaam met elkaar, in kleine dorpen, in huizen van ruwe steen.

’s Morgen als de zon opkwam brandden de vrouwen op het dak van hun huis jeneversbes-takken op vuurtjes van houtskool. Ze offerden gedroogd fruit aan de goden en de beschermgeesten van de bergen. De rook droeg de geuren van de jeneverbes en de zachte woorden van hun gebeden naar de hemel. ‘We bidden dat ons geen kwaad overkomt. Laten we elkaar liefhebben en vriendelijk zijn tegen alle levende wezens op aarde.’

In een van die huizen woonde een jongen. Een jongen met een open blik en een groot hart. Iedereen hield van hem. Hij was wijs voor zijn leeftijd, alsof zijn ouders, grootouders en overgroot-ouders hem bij zijn geboorte al hun kennis en wijsheid hadden geschonken. Hij werd Tenzin genoemd, Hoeder van de Oude Kennis.

Tenzin was liefdevol en respectvol naar oude en naar zieke mensen, dieren, zowel de tamme als de wilde. En als je zag hoe de yaks hem volgden van weide naar weide, alleen luisterend naar zijn stem, zou je denken dat hij hun taal sprak. De grote honden die ’s nachts het dorp bewaakten rolden op hun rug als ze Tenzin zagen. Hij zong de liederen van de vogels en speelde met de vossen. Tenzin had geleerd dat alles op aarde levend is en een ziel heeft.

Op een dag volgde Tenzin de sporen van een muskushert. Hij zag dat de pootafdrukken diep wegzonken in de grond, terwijl het dier zich normaal licht en snel over de aarde bewoog. Eindelijk vond hij het kleine, jonge hert met haar lange oren en zachte bruine vel. Ze lag op haar zij in een plas bloed en trilde met heel haar lijf. ‘Help me, ik heb pijn,’ leek ze te zeggen.

Toen hij wat beter keek zag Tenzin dat er uit de zij van het dier een pijl stak. Hij wist dat hij de pijl niet los kon trekken, zonder haar meer pijn te doen en het weefsel verder te beschadigen. Op dat moment wist hij niets anders te doen dan zijn ogen te sluiten, zijn ademhaling tot rust te brengen en zachtjes voor het gewonde hert te bidden: ‘Mag je pijn gauw verdwijnen en je lijden stoppen.’ En even was het of hij zelf de pijn en de angst van het jonge hert voelde. Wat kon hij doen? Meteen daarna voelde hij zich rustig worden en wist hij wat hij zou doen.

Voorzichtig tilde Tenzin het gewonde hert op, droeg het in zijn armen naar zijn huis. Onderweg kwam hij een verlaten kluizenaarshut. Nog nooit eerder had hij er een levend wezen gezien, maar tot zijn verwondering zat er die dag iemand op een steen voor de hut. Geen moment kwam het in hem op bang te zijn. Hij boog eerbiedig en toen hij beter keek zag hij een oude vrouw, haar gezicht getekend door het leven, heldere ogen die hem opvallend rustig aankeken, handen die op de knieën rustten. De oude vrouw keek naar het gewonde hert en zonder haar blik af te wenden begon ze een plek te beschrijven waar smeltend sneeuwwater langs de berghellingen omlaag stortte, stenen en brokken rode aarde meesleurend, die in een heldere rivier wegstroomden. Daarna sloot ze haar ogen en was ze in zichzelf verzonken.
Omdat de zon al achter de bergen verdween, haastte Tenzin zich naar huis waar hij op het dak een slaapplaats van hooi en doeken voor het hert maakte. Toen ging hij naast haar liggen en fluisterde: ‘Ik noem je Jampa, Liefdevolle Vriendelijkheid’. Die nacht viel Tenzin met zijn arm om Jampa heen in slaap.

De volgende ochtend, toen de dorpelingen hun gebeden naar de goden en beschermgeesten stuurden, droeg Tenzin Jampa de mistige vallei uit, de heuvels in. Hij liep langzaam, zachtjes voor zich uit fluisterend: ‘Mag je pijn gauw verdwijnen en je lijden stoppen.’ Al biddend liep Tenzin tot hij bij een rivier kwam, waar het water stenen en brokken rode aarde in haar stroom van koud smeltwater meevoerde. Hij knielde op de oever en liet het hert in de stroom zakken, zodat het heldere water de wond schoon kon wassen. Jampa rilde maar bleef stil in de armen van de jongen liggen. Bloed begon uit de wond te vloeien en na een tijdje kwam de pijl als vanzelf los en kon Tenzin hem zonder moeite verwijderen.

Jampa keek met dankbare blik in de bruine ogen op naar Tenzin. De jongen staarde naar de diepe wond in de zij van het hert en dacht: ‘Wat moet ik nu doen?’ Er zat niets anders op dan het hert opnieuw in zijn armen mee te nemen naar de slaapplaats op het dak van zijn huis

Toen hij de kluizenaarshut passeerde was hij verbaasd opnieuw de oude vrouw te zien. Net als de dag ervoor stopte hij even en boog hij eerbiedig. De oude vrouw hield haar ogen strak gericht op het zieke hert.
Toen beschreef ze met zachte stem de plant met de balsembladeren en de trossen gele bloemen, de takken, de wortels en de zaden, de plant met de naam Myrobalan. Daarna sloot ze haar ogen en was ze opnieuw in zichzelf verzonken. Die nacht lag Tenzin op het dak met Jampa in zijn armen en staarde lange tijd naar de donkerblauwe hemel met zijn miljoenen glinsterende sterren.

De zon kwam op. Tenzin wandelde de bergen in met zijn Jampa in zijn armen. Achter zich hoorde hij het gemurmel van de gebeden van de mensen uit de vallei. ‘We bidden dat ons geen kwaad overkomt. Laten we elkaar liefhebben en vriendelijk zijn tegen alle levende wezens op aarde.’ En Tenzin fluisterde in het oor van Jampa: ‘Mag je pijn gauw verdwijnen en je lijden stoppen’ En de gebeden van de dorpelingen en Tenzin gingen in elkaar over.

En op zijn tocht vond Tenzin de prachtige Myrobalan plant bloeiend tussen jonge grasscheuten in de zon. Op de bloemen en bladeren lagen dauwdruppels. Tenzin wist dat geneeskrachtige planten mochten worden geplukt om
wonden te genezen, zo lang je haar maar bedankte voor haar gaven.

Tenzin plukte de hele plant. Van de wortels, de takken, de bladeren en de zaden zette hij thee. Toen de thee was afgekoeld goot hij iets van het aftreksel in Jampa’s wond die weer was gaan bloeden. Na een tijdje stopte het bloeden. Toen legde Tenzin een handvol bloemen op de wond en wikkelde een katoenen doek om de buik van het hert om de bloemen op hun plaats te houden.

Die nacht sliep Tenzin weer met Jampa in zijn armen, en onder de flonkerende sterren en de glimmende maan droomde hij dat het hert naast hem huppelde. Haar huid glansde en haar ogen schitterden.

De dagen gingen voorbij. Iedere dag waste Tenzin de wond schoon met verse thee van de Myrobalan en dekte hij de wond af met gele bloemen en een katoenen doek. Het duurde niet lang of het hert stond weer op haar poten, nog wat wankel, maar toch. Vaak zaten Tenzin en Jampa op een heuveltop.
Liefdevol streelde Tenzin de kop van Jampa en dan fluisterde hij: ‘Ik bid dat je snel weer helemaal beter bent. Laat mijn adem je kracht geven, zodat je ogen weer gaan glanzen als de oceaan onder de zon, je hart zo sterk wordt als een berg en je geest zo vrij als de blauwe hemel.’

Het jonge muskushert werd met de dag sterker. Tenzin hield zielsveel van het hert. Ze waren onafscheidelijk: ze sliepen samen, aten samen, luisterden samen naar de wind en staarden samen naar de maan boven de hoge bergen. Op een nacht verscheen Jampa in Tenzin’s droom. ‘Tenzin,’ sprak ze zachtjes. ‘Ik ben je dankbaar voor je liefdevolle zorgen die me hebben genezen. Maar het wordt tijd dat ik terug ga naar de bossen. Wil je me alsjeblieft loslaten? Laat me alsjeblieft gaan.’

Tenzin schrok wakker. Tranen stroomden over zijn wangen. Zijn hert loslaten leek hem het aller pijnlijkste wat van hem gevraagd kon worden. Die nacht kon hij niet meer slapen. Hij keek naar Jampa terwijl ze sliep.
Hij keek naar haar zachte neus en fluwelen ogen, haar ranke poten en haar witte staartje. Hij wilde haar niet kwijt en streelde de hele nacht haar bruine vel, zijn hart deed zeer en tranen stroomden uit zijn ogen. Maar aan het einde van de nacht begint hij te voelen dat het goed was wat Jampa hem had gevraagd.

En terwijl het zwart van de nacht heel langzaam plaatsmaakte voor het eerste licht van de dag, zocht Tenzin diep in zijn hart naar kracht en moed om te doen wat gedaan moest worden. Hij keek naar Jampa. Zijn adem bewoog mee met de adem van het hert. Als Jampa inademde, ademde hij in. Als zij uitademde, ademde hij uit. En zijn ademhaling werd steeds krachtiger, totdat het voel alsof zijn ademhaling en die van het hert een waren geworden en Tenzin fluisterde ‘Ga, lieve Jampa, ga terug naar de bossen, ik mag je niet tegenhouden. Je vrijheid is mijn afscheidsgeschenk.’

Zo gauw Tenzin die laatste woorden had gesproken sprong Jampa overeind en rende weg. Eerst voelde Tenzin zich leeg: het was alsof een deel van hem plotseling verdwenen was. Toen stond hij langzaam op, wandelde naar de top van de berg, die inmiddels in het licht van de ochtendzon lag. Terwijl hij het gemurmel van de gebeden van de dorpelingen hoorde, staarde Tenzin voor zich uit en dacht aan alle plekken waar hij met Jampa was geweest. In gedachten zag Tenzin zijn hertevriendin springen en even voelde het alsof hij haar was. Hij voelde haar blijdschap en haar vrijheid. Hoog in de lucht zag hij een adelaar zweven en de stem van Jampa klonk van ver: ‘Dank je, Tenzin, dank je. En als je mij nodig hebt, zal ik komen. Ik bid dat je geen kwaad zal overkomen. Ik bid dat je in vrede zult leven. Ik bid dat je ogen glanzen als een oceaan in de zon, dat je hart sterk als een berg en dat je geest vrij is als de blauwe hemel.’

En dit is wat er gebeurde. Vol van dankbaarheid over alles wat hij dankzij Jampa had geleerd, met al zijn liefde, aandacht en respect, al zijn kennis en wijsheid, werd Tenzin een dokter die met grote liefde en zorg de zieke mensen in zijn dorp hielp. En daarbij gebruikte hij vaak de genezende krachten van de myrobalan plant.

Muziek

Rikie en Lisette zongen tweestemming het lied ‘Bright Eyes’ van Art Garfunkel, door Rikie begeleid op gitaar. Het was prachtig om te horen en wat sfeer betreft heel mooi aansluitend op de sfeer van het verhaal.

Doorgeefvoorwerp

Vervolgens hebben we als voorwerp het hertje, de knuffel waar Lisette het eerder over had, doorgegeven. Tijdens het doorgeven van het hertje werd muziek gedraaid van harpiste Lavinia Meijer die prachtige muziek speelt (in de stijl) van Philip Glass.

Boek van Zorg en Verlangen en afsluiting

Na voorlezing uit het Boek van Zorg en Verlangen en afsluiting met de gong en het uitblazen van de kaars, bleef iedereen nog een tijdje in stilte zitten, waarna we naar de koffie en thee zijn gegaan.