Marijke Welten vertelt vandaag een verhaal.

“Blij dat je er bent”

“Ze zou wel méér willen betekenen. Ze heeft een warm hart, ze is zeer sociaal ingesteld. Maar door haar ziekte wordt ze erg beperkt in haar mogelijkheden. Wat ze nog wel kan, is brieven schrijven, en dat doet ze dan ook”.

Door haar angst voor mensenmassa’s en haar paniekaanvallen op straat, wordt ze erg beperkt in haar mogelijkheden. Niet dat ze daar ooit over klaagt, hoor. Ze zegt altijd: met mopperen is het net als met schommelen: Je bent wel bezig, maar komt niet van je plaats.
Liever houdt ze zich bezig met wat ze wél kan!
Wat ze nog wél kan, is brieven schrijven. En dat doet ze dan ook. Brieven aan familie – broers, zussen, neven, nichten. Brieven aan vrienden, vriendinnen, vroegere collega’s. Er zijn er, die elke week post van haar ontvangen. Brieven schrijven is voor haar een vorm van mee-leven.

Toen ze nog wel eens de deur uitging kon ze op allerlei manieren mee-leven. Ze hielp haar dochter met de boodschappen, ging op ziekenbezoek bij haar collega. Maar nu moet ze het doen met woorden.
Haar hulp, een schat van een meid die elke week de stapel brieven meeneemt en op de post doet, schudt regelmatig haar hoofd: u bent zoveel tijd kwijt met dat schrijven. Waarom belt of appt u niet?
“Ik heb de tijd”, zegt ze dan. Als ze eerlijk is, is ze ook niet zo goed in bellen; mensen stellen zoveel vragen! “Heb je je broer nog gesproken? Hoe gaat het met je therapie? Ben je al met die online-cursus begonnen? Oh, waarom niet?” Ze vindt het vaak zó lastig gelijk de goede woorden te vinden!
Nee, het contact, dat ze biedt, is een schriftelijk contact. Zo voorkomt ze dat ze teveel prikkels krijgt en kan ze zich tóch op die ander richten. “Ik hoorde van Nettie dat je al weer twee weken thuis bent van vakantie. Ze bleef afgelopen week even thee drinken, toen ze de boodschappen kwam brengen. Fijn dat je even tijd voor jezelf had. En wat fijn dat je een nieuwe baan hebt gevonden! Je zegt altijd dat je zo geniet van het contact met klanten, dus ik weet zeker dat je daar op je plek zult zijn.”

In haar brieven schrijft ze ook over zichzelf. Soms staat ze even stil bij haar angsten, maar veel vaker gaat het over de boeken die ze las, over muziek, de bomen in de tuin, de vogels. “Mooi hè, alles?…De seizoenen lijken wel wat in de war; de trekvogels krijgen er ook het heen en weer van”.

En zo schrijft ze elke dag haar leven én mee-leven uit op het witte briefpapier. Ze houdt van de geur van het papier en het geruststellende krassen van haar pen. En van het zachte zoemen van haar theelichtje.

Mart jakkert naar huis…. “Schiet op!”, bromt hij tegen het stoplicht, terwijl hij ongeduldig met zijn vingers op het stuur trommelt “straks zijn de winkels dicht!” Hij heeft niks meer in huis. Hij heeft niemand meer in huis. Ja, zijn kater, maar die kan nog geen pizza in de oven stoppen. Sinds zijn ontslag bij van Summeren vorig jaar, leek het wel of hij een besmettelijke ziekte had. Eén voor één bleven zijn vrienden weg en toen vertrok Sandra ten slotte ook met…. GROEN!
Mart geeft een peut gas en rijdt – veel te hard- over de singel naar het winkelcentrum. Remmen, tas en rennen!
Als Mart niet veel later zijn huis instapt, overvalt hem de stilte. Het is donker en kil in de gang. Katerlief komt aanrennen, geeft ongeïnteresseerd een paar kopjes, maar als hij merkt dat Mart niet direct doorloopt naar zijn etensbak, draait hij hem geërgerd zijn achterwerk toe. Mart raapt de brief op die op de deurmat ligt en duwt met zijn schouder de deur dicht. Hij loopt door naar de keuken, legt de brief op de koektrommel en zet de oven aan. ‘Pizza Ristorante, smaakt zoals bij de Italiaan.’ Ja jammer dat er verder niemand in zijn restaurant zit. Mart kijkt om zich heen, kansloos, tamelijk lonely hier. Zijn kater kijkt vanaf de keukentafel naar zijn bewegingen. “Hoepel op”, snauwt Mart hem toe en hij kwakt een bord en bestek op de tafel. De pizza smaakt hem niet, hij eet met grote happen en spoelt de zooi weg met een glas half lauwe cola.
Hij had verwacht dat nu hij een nieuwe baan had, het beter zou gaan. Dat viel dus tegen. Hij voelde zich onhandig en onzeker tegenover zijn collega’s en ze hadden hem nog niet meegevraagd voor de wekelijkse kantoorborrel.
Opruimen en de kater eten geven, dat is alles wat er nog moet gebeuren vandaag. Dan kan hij weer naar bed.

Dan valt zijn oog op de brief. Hij draait hem om en ziet direct van wie hij is. Mart neemt de koektrommel onder zijn arm mee en ploft op de bank in de woonkamer. Ah, een brief van tante. Dat is best lang geleden. Ze hebben elkaar al niet meer gezien sinds Mart eindexamen heeft gedaan en hebben alleen nog maar schriftelijk contact.
Maar hoe waardevol is dit contact! Je zult maar een brief van haar krijgen! “Dag jongen,….blablblbl…. oh, ze wist dus al dat hij op vakantie was geweest. Mart neemt een koekje uit de trommel en glimlacht. “En wat fijn dat je een nieuwe baan hebt gevonden! Je zegt altijd dat je zo geniet van het contact met klanten, dus ik weet zeker dat je daar op je plek zult zijn. En als de lat te hoog ligt, kun je er altijd nog onderdoor lopen” Mart lacht hardop. In haar woorden is tante heel dicht bij je. Je hoort haar praten, je kunt haar bijna horen ademen. Je vóelt haar ogen. Vriendelijke ogen, lachende ogen. Ogen die bemoedigen, ook kunnen troosten. Mart zou haar bijna de koekjestrommel toeschuiven. Ze is gewoon op bezoek bij je. Een mens die woord voor woord met je meegaat.
Mart krabbelt de kater achter zijn oor. “Ja jongen, je hebt gelijk, ik kom je zó eten geven.” De brief van tante is een teken van leven, van mee-leven. Het schriftelijke bewijs dat iemand om hem geeft. Dat iemands hart naar hem uitgaat. Mart doet de brief terug in de envelop. “Ik ben blij dat zij er is”, zegt hij tegen de kater, die bij hem op schoot is gaan liggen. Die tilt zijn kop op en miauwt. “Ja, ja, ik ben ook blij dat jij er bent.”