Als inleiding leest Stefien de introductie voor uit het boekje “Windstilte van de ziel” van Joke Hermsen.

Daarna geeft ze aan wat de zon allemaal kan betekenen:
• De zon als begin van de dag
• De zon als bron van licht
• De zon als warmte op je huid
• De zon als einde van de dag
• De zon als irritante dwarsligger als je somber bent
• De zon als levensgever
• De zon aan het strand
• De zon als helder licht terwijl je in de schaduw zit
• De zon als rijkdom waar iedereen van krijgt, ongeacht je status of afkomst
• De zon als trillingen in de lucht boven een weide met koeien
• De zon als hitte in augustus

Hierna leest Stefien een verhaal voor van Toon Tellegen uit het boek “Ze sliepen nog”.
Het is een verhaal over de krekel die bij zonsopgang opeens begint te twijfelen of het wel de zon is die opkomt. Hij gaat naar alle dieren in het bos en legt hen zijn twijfel voor. Door de manier waarop hij dit doet, gaan de andere dieren ook twijfelen, wat voor de krekel het bewijs is dat het niét de zon is die opkomt, maar iets anders. ’s Avonds gaat het onbekende ding onder en wordt het schemering in het bos. De dieren waren het er wel over eens dat het een gewone schemering was.
De dieren gingen slapen en toen de krekel wakker werd, kwam de zon op, hij zag dat het de zon was, zonder twijfel! Hij rende door het bos en wees iedereen die wakker werd de zon aan. Alle dieren waren opgelucht: “het is de zon”.

De krekel had genoeg van twijfelen en nam zich voor nooit meer te twijfelen.

Er wordt muziek ten gehore gebracht: “What a wonderfull world” van Louis Armstrong.

Daarna wordt het doorgeefvoorwerp doorgegeven: een kristal, waarin je, als je de zon erin laat schijnen, de kleuren van de regenboog ziet. De vraag daarbij is om stil te staan bij wat de zon voor jou vandaag is.

Er wordt voorgelezen uit het boek van Zorg en Verlangen.

Cécile sluit de bijeenkomst af en als “uitsmijter” wordt het zonnige en vrolijke lied “Let the Sun Shine in Your Heart” van Wind gespeeld, waarna er in de tuin onder een warme zon koffie en thee gedronken wordt.

Stefien leest een gedicht voor uit het boek “Ik wou” van Toon Tellegen:

“Als ik er goed over nadenk, vind ik het
eigenlijk heel raar dat ik ik ben.
Ik had toch net zo goed iemand anders kunnen zijn?
Of iets anders?
Als ik in een bos ben en naar de mieren kijk, die
door elkaar heen krioelen, denk ik vaak: die mier,
daar, die had ik ook kunnen zijn. En dan volg ik er een
met mijn ogen en stel me voor dt ik hem ben en het
druk heb en verder met met een veel te groot strootje
in mijn bek en dan ook nog zo’n reusachtig gevaarte
boven mij dat naar mij kijkt en in mijn zon staat.
Stel je voor dat ik die mier was! Maar wie zou mij
dan zijn? Die mier?
Het beste is om over zulke dingen niet na te denken.
Er is zoveelwaar je het beste maar niet over na kunt
denken. Misschien wel meer dan waar je wel
over na kunt denken.”