Rob Cassuto is gastspreker.

Een verhaal over een onderbetaalde rabbijn in een arm Pools-Joods dorpje in de 19e eeuw.
Wat moet je doen als zoveel mensen om je heen Kritiek op je hebben, roddelen over jou en je familie en het nooit goed genoeg is ?

Isaac B Singer Niet van de mens maak ik mij afhankelijk
(licht bewerkt voor De Kentering door Rob Cassuto)

Vanaf de dag dat de mensen erover begonnen te praten dat hij rabbijn van Lublin zou worden, had rabbi Jonathan Danziger van Jampol geen ogenblik rust meer. Zijn vijanden in Jampol gunden het hem niet dat hij naar een grotere stad ging, ook al konden zij het ogenblik van zijn vertrek nauwelijks afwachten omdat zij al een opvolger voor hem hadden. De raad van oudsten van Jampol wilde dat de rabbi uit Jampol zou vertrekken zonder naar Lublin te kunnen gaan. Zij probeerden zijn kansen op een aanstelling in Lublin te bederven door geruchten over hem te verspreiden. Zij waren van plan hem net zo te behandelen als de vorige rabbijn: hij moest in schande, in een ossenwagen gezeten, de stad verlaten. Maar waarom? Wat voor kwaad had hij gedaan? Hij had niemand in zijn eer aangetast; hij was altijd vriendelijk tegen iedereen.

Toch hadden ze allemaal persoonlijke grieven tegen hem. De een beweerde dat de rabbi een verkeerde uitleg aan de Talmoed gaf, een ander had een schoonzoon die de plaats van de rabbi wilde innemen; een derde vond dat rabbi Jonathan een chassidische leider moest navolgen. De slagers zeurden dat de rabbi te veel koeien niet kosjer vond, de rituele slachter dat de rabbi tweemaal per week zijn mes wilde controleren. De juffrouw van het badhuis klaagde omdat de rabbi een keer op een avond voor een feestdag het rituele bad onrein had verklaard, zodat de vrouwen met hun mannen geen gemeenschap konden hebben.
In de Brugstraat beweerden ze dat de rabbijn zich te veel met zijn boeken ophield, dat hij geen aandacht besteedde aan het gewone volk. Kerels in kroegen staken de gek met de rabbijn om de manier waarop hij schreeuwde als hij ‘Hoor Israël’-gebed reciteerde, en spoog als hij het over afgodsbeelden had. De verlichten toonden aan dat de rabbi grammaticale fouten in het Hebreeuws maakte. De vrouw van de rabbi werd door de dames bespot omdat zij met een beschaafd Pools accent sprak en omdat zij haar koffie zonder suiker dronk. Er was niets dat zij niet belachelijk maakten. Het beviel hun niet als de vrouw van de rabbi iedere donderdag brood bakte en niet eens in de drie weken. Zij keken wantrouwend naar de dochter van de rabbijn, Jentl, die, zoals ze beweerden, te veel tijd doorbracht met breien en borduren. Elk jaar voor Pesach was er ruzie over de matzes en de vijanden van de rabbijn kwamen op zijn huis af om de ramen in te gooien. Toen na het Loofhuttenfeest veel kinderen ziek werden, schreeuwden de vrome dames dat de rabbijn de stad niet goed genoeg van zonden had gereinigd, Alle partijen hadden altijd wel wat te vitten of aan te merken. Bij dat alles ontving de rabbijn een salaris van vijf gulden per week; hij leefde in de meest behoeftige omstandigheden.
Alsof hij nog niet genoeg last had van vijanden, gedroegen ook zijn vrienden zich als vijanden. Zij brachten zelfs de kleinste aantijging aan hem over. De rabbi zei hun dat dat een zonde was, waarbij hij uit de Talmoed aanhaalde dat roddelpraat alle drie de partijen schade berokkent: de roddelaar, degene tegen wie geroddeld wordt en degene over wie geroddeld wordt. Het leidt tot wrok, haat, ontwijding van de Heilige Naam. De rabbi verzocht zijn volgelingen hem niet lastig te vallen met kwaadsprekerij; maar elk woord van zijn vijanden werd hem overgebriefd. Als de rabbi zich dan afkeurend over de onheilsbode uitliet, liep de persoon in kwestie onmiddellijk naar het vijandige kamp over. De rabbi kon niet langer rustig bidden en studeren. Hij smeekte God om hulp: Hoe lang zal ik het in deze hel nog kunnen uithouden?
Nu rabbi Jonathan op het punt stond als rabbijn naar Lublin te gaan, zag hij in dat er niet veel verschil met Jampol was. Ook in Lublin was er al tegenstand. Ook daar was een rijke man wiens schoonzoon er rabbijn wilde worden. (…)
De rabbi was amper vijftig, maar hij was al grijs. Zijn lange gestalte was gebogen. De baard die eens stroblond was geweest, was wit en dun geworden als bij een oude man. Hij had borstelige wenkbrauwen en onder zijn ogen had hij mosachtige, bruinzwarte wallen. Hij had last van allerlei kwaaltjes. Winter en zomer hoestte hij. Zijn lichaam was vel over been; hij was zo licht dat als hij in de wind liep, zijn jaspanden hem haast van de grond tilden. Zijn vrouw klaagde dat hij niet genoeg at, niet genoeg dronk, niet genoeg sliep. Door nachtmerries gekweld schrok hij altijd uit zijn slaap wakker. Hij droomde van vervolgingen en pogroms (…). De rabbi geloofde dat hij gestraft werd voor zijn zonden. Soms schold hij op zijn kwelgeesten; hij wist soms niet wat hij van Gods wegen moest denken en hij twijfelde zelfs wel eens aan Zijn genade. Dan flitste opeens de gedachte door zijn hoofd: Als er nu eens geen Schepper is? ‘Wee mij, waar moet het met me naar toe?’ zuchtte de rabbi: ‘Ik ben een verloren man.’
De verhuizing naar Lublin leek een prettig vooruitzicht, maar de vrouw van de rabbijn en zijn dochter Jentl zaten er meer over in dan dat zij zich erop verheugden. Moeder noch dochter had een behoorlijk stel kleren of juwelen. In Jampol waren ze in de loop der jaren zo verkommerd, dat de vrouw van de rabbi tegen haar man klaagde dat zij het praten met anderen verleerd was. Zij bad thuis, onttrok zich aan de verplichting bruidjes naar de synagoge te begeleiden of deel te nemen aan een besnijdenisplechtigheid. Maar Lublin was heel iets anders. Daar droegen de dames modieuze japonnen, met kostbaar bont, zijden pruiken, schoenen met hoge hakken en spitse neuzen. De jonge getrouwde vrouwen gingen naar de synagoge met hoedjes met veren. Ze hadden allemaal een gouden ketting of broche. Hoe kon je naar zo’n plaats gaan met vodden aan je lijf, met kapotte stoelen en tafels en versteld linnengoed? Jentl weigerde botweg te verhuizen. Wat moest ze in Lublin? Zij was geen meisje en ook geen getrouwde vrouw; in Jampol had ze tenminste nog een hoopje aarde en een grafsteen.
De rabbi ijsbeerde door zijn studeerkamer; Vader in de hemel, red mij. “Ik ben in diep water terechtgekomen, waar de golven mij overspoelen!” ’

De rabbi had de gewoonte in de synagoge te bidden. Hij bad bij zonsopgang met de eerste groep van tien mannen. De rabbi hield van de ochtendstilte wanneer de meeste mensen nog achter gesloten luiken lagen te slapen. Hij kreeg er nooit genoeg van de zon te zien opkomen: purper, goud, schoongespoeld in de wateren van de Grote Zee. De opgaande zon bracht hem altijd tot dezelfde gedachte: in tegenstelling tot de zon vernieuwt een mensenkind zich heel moeilijk. De mens heeft herinneringen, spijt en haatgevoelens. Zij hopen zich als stof, zij sluiten hem in, zodat hij het licht en het leven dat uit de hemel neerdaalt niet kan ontvangen. Maar Gods schepping vernieuwt zich voortdurend. Als het bewolkt wordt klaart het ook weer op. De zon gaat onder, maar wordt iedere morgen opnieuw geboren. Er rust geen smet van het verleden op de maan of de sterren. Het onophoudelijk voortgaan van de natuur is nooit zo duidelijk als in de vroege ochtend. Er valt dauw, de vogels tjilpen, de rivier staat in vuur en vlam, het gras is vochtig en fris. Gelukkig is de mens die zich met de schepping kan vernieuwen ‘wanneer alle sterren van de morgen samen zingen’.

Deze ochtend was als iedere ochtend. De rabbi stond vroeg op om het eerst in de synagoge te zijn. Hij klopte op de eiken deur om de geesten die daar bidden zijn komst aan te kondigen. Toen ging hij het donkere voorvertrek binnen. De synagoge was honderden jaren oud, maar was nog haast net zoals toen hij pas gebouwd was. Alles ademde eeuwigheid: de grijze muren, het hoge plafond, de koperen kandelaars, de roodkoperen wasbak, de lessenaar met de vier zuilen, de gebeeldhouwde hoge Ark met de tafelen met de Tien Geboden en de twee vergulde leeuwen. Door de ovale, gebrandschilderde vensters vielen bundels zonlicht binnen. De rabbi begon te ijsberen en zijn ochtendgebed op te zeggen. De rabbi herhaalde enige keren de woorden, ‘En als aan alles een einde gekomen is, zal Hij alleen heersen’. De rabbi zag in zijn verbeelding het mensdom vergaan, huizen instorten, al het kwaad wegsmelten en Gods licht weer bezit nemen van de ganse ruimte.  Aan kwade invloeden, aan alles wat gemeen en smerig was zou een einde komen. Tijd, ongelukken, strijd, hartstochten zouden verdwijnen, De werkelijke waarheid was louter goedheid. De rabbi zei zijn gebeden, de diepere betekenis van de woorden overpeinzend. Langzamerhand begonnen de gelovigen te komen: de eerste groep bestond uit hardwerkende mannen die bij het krieken van de dag opstaan — Leibusj de vrachtrijder, Chaim Jonah de viskoper, Avrom de zadel-maker, Sjlomo Meyer die even buiten Jampol vruchtbomen kweekte. Zij begroetten de rabbi, deden dan hun gebedsriemen en gebedssjaals om. Het viel de rabbi op dat zijn vijanden in het stadje of rijkaards of leeglopers waren. De arme en hardwerkende mensen, allen die eerlijk hun brood verdienden, waren op zijn hand. ‘Waarom is me dat nooit opgevallen?’ vroeg de rabbi zich af. ‘Waarom heb ik me dat niet gerealiseerd?’ Hij voelde plotseling liefde voor deze joden die niemand bedrogen, die niets afwisten van zwendelen en naar zich toehalen, maar die Gods geboden naleefden: ‘In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood verdienen…’ Nu wonden zij aandachtig de gebedsriempjes om hun armen, kusten de franje van hun gebedskleed, en namen het zware juk van het Hemelse Koninkrijk op zich. Ochtendrust lag op hun gezichten en baarden. Hun ogen straalden de zachtmoedigheid uit van mensen die het al van kinds-af moeilijk hebben.
Het was maandag. Na het biechten werd de rol uit de Ark gehaald terwijl de rabbi het ‘Gezegend zij Uw naam’ uitsprak. Daar stonden de echte rollen, de Thora van Mozes, met zijde omzoomd en versierd met kettingen, kronen, zilveren plaatjes Hij wiegde heen en weer onder het mompelen van de woorden: ‘U heerst over alien… Ik, buig mij voor Hem en voor de grootsheid van Zijn wet…’ Toen de rabbi bij de woorden, ‘Niet op de mensen vestig ik mijn vertrouwen, maar vooral op U, heer van de wereld,’ kwam, hield hij op. De woorden bleven in zijn keel steken.
Voor het eerst besefte hij dat hij loog. Niemand voelde zich meer afhankelijk van de mensen dan hij. De hele stad gaf zijn orders, hij was van iedereen afhankelijk. Iedereen kon hem kwaad doen. Vandaag gebeurde het in Jampol, morgen zou het in Lublin gebeuren. Hij, de rabbijn, was de slaaf van iedere invloedrijke man in de gemeente. Hij kon alleen maar hopen op giften, op gunsten, en moest altijd maar medestanders zien te vinden. De rabbi begon de andere kerkgangers eens onder de loep te nemen. Geen van hen had de goedkeuring van anderen nodig. Niemand anders maakte zich zorgen over wie voor of tegen hem zou zijn. Niemand trok zich ook maar iets aan van de praatjes die werden rondgestrooid. ‘Wat heeft het dan voor zin om te bidden, dat mijn leven niet afhangt van het oordeel van de mensen maar rust op vertrouwen in de Almachtige?’ dacht de rabbi. ‘Wie bedrieg ik ermee? De Almachtige?’ De rabbi huiverde en sloeg beschaamd zijn handen voor zijn gezicht. Zijn knieën knikten. Ze hadden de Torarol al op de leestafel gelegd, maar de rabbi had het niet gemerkt.

Plotseling moest de rabbi inwendig lachen. Hij stak zijn hand op alsof hij een eed aflegde. Een lang vergeten gevoel van vreugde kwam in hem op en een onverwachte vastberadenheid. In een moment werd hem alles duidelijk…
Ze riepen de rabbi voor de voorlezing en hij liep het trapje naar de lessenaar op. Hij legde even een franje van zijn gebedssjaal op het perkament, bracht hem naar zijn voorhoofd en kuste hem. Met luide stem sprak hij de lofzegging uit. Daarna luisterde hij naar de voorlezer. Het was het hoofdstuk uit het boek Exodus: ‘Stuurt gij mannen…’ Het ging over de verspieders van de Israëlieten die in het land Kanaän op onderzoek uitgingen en die afgeschrikt door de reuzen terugkwamen. Lafheid was de ondergang van het woestijngeslacht geweest, zei rabbi Jonathan bij zichzelf. En als zij niet bang mochten zijn voor reuzen, waarom zou ik dan beven voor dwergen? Het is erger dan lafheid; het is niets dan trots. Ik ben bang mijn rabbijnenbaantje te verliezen. De gemeenteleden staarden de rabbijn aan. Een mysterieuze kracht straalde van hem uit. Dat komt waarschijnlijk omdat hij naar die grote stad Lublin gaat, zo verklaarden zij het voor zichzelf.

Na het gebed begonnen de mannen zich te verspreiden. Sjlomo Meyer nam zijn gebedskleed, klaar om weg te gaan. Zijn linnen pet, zijn gabardine jas en zijn grove laarzen waren geel geschroeid door de zon. De rabbi wenkte hem Sjlomo Meyer, heb je een ogenblikje?’
‘Ja, rabbi.’
Hoe is ’t met de vruchtbomen?’ vroeg de rabbi. ‘Is de oogst goed?’
‘Goddank wel. Als er geen storm komt tenminste.’
‘Heb je mensen om te plukken?’
Sjlomo Meyer dacht er even over na. ‘Ze zijn moeilijk te krijgen, maar we redden ’t wel.’
Waarom zijn ze moeilijk te krijgen?’
‘ ’t Is geen makkelijk werk. Ze moeten de hele dag op een ladder staan en ’s nachts in de schuur slapen.’
‘Wat betaal je?’
‘Niet veel.’
‘Genoeg om van te leven?’
‘Ze zijn bij mij in de kost.’
‘Sjlomo Meyer, neem mij in dienst. Ik zal voor je plukken.’ Sjlomo Meyers lichtbruine ogen glommen van pret. ‘Waarom ook niet?’
‘Ik maak geen grapje.’
Sjlomo Meyers blik versomberde. ‘Ik weet niet wat de rabbi bedoelt.’
‘Ik ben geen rabbi meer.’
‘Wat ? Hoe komt dat?’
‘Als je even tijd hebt zal ik’t je vertellen.’
Siloime Meyer luisterde terwijl de rabbi sprak. Iedereen was al vertrokken en de twee mannen waren nu alleen. Zij stonden bij de lessenaar. De rabbi sprak zachtjes, maar elk woord werd weerkaatst alsof een onzichtbaar iemand het hem nazei
‘ Wat zeg je ervan?’ vroeg de rabbi ten slotte. Sjlomo Meyer trok een gezicht alsof hij iets zuurs had ingeslikt. Hij schudde zijn hoofd heen en weer.
‘ Je moet voor niemand bang zijn. “Je moet het aangezicht des mensen niet vrezen.” Dat is de essentie van het jodendom.’
Wat zal uw vrouw er wel van zeggen?’
‘Ze zal me helpen bij mijn werk.’
‘Dat is niets voor mensen zoals u.’
‘Wie zijn vertrouwen i op de Eeuwige vernieuwt zal nieuwe kracht krijgen.’
‘Nou, dan eh..
‘Dus je doet’t?’
‘Als de rabbi wil ..’
‘Noem me geen rabbi meer. Van nu af ben ik jouw werknemer. En ik zal een eerlijke werker zijn.’
‘Daar ben ik niet bang voor.’
‘Wanneer ga je naar de boomgaard?’
‘Over een paar uur.’
‘Kom met je wagen langs. Ik wacht op je.’
‘Ja, rabbi.’
Sjlomo Meyer wachtte nog even en ging toen weg. Bij de deur naar de voorhal keek hij om. De rabbi stond alleen, zijn handen ineengeslagen, zijn blik van muur tot muur dwalend. Hij zou vertrekken uit de synagoge waar hij zoveel jaren gebeden had. Waarom heb je zo lang gewacht? Je had toch van het begin af kunnen weten dat iemand niet tegelijkertijd God en de mens kan dienen. De rabbi plukte aan zijn baard. ‘Ach, het is nooit te laat. We hebben de eeuwigheid nog voor ons…’ In Jampol, in Lublin ging het als een lopend vuurtje door de stad. Rabbi Jonathan, zijn vrouw en zijn dochter Jentl waren weggegaan om fruit te plukken in de boomgaarden van Sjlomo Meyer.

De bladzijde wordt na de bijeenkomst bijgewerkt met het hele verhaal.