De man die bomen plantte

Ken je dat, dat je ergens op een plek bent aanbeland, met iemand in gesprek komt en dan een wonderschoon verhaal te horen krijgt?  Van zo’n oude man of vrouw…..

Deze informatie wordt nog bijgewerkt.

Het was 1913, ik was nog jong en maakte een lange voettocht over een hoogvlakte, een afgelegen en verlaten gebied. Alles wat ik zag waren kale en eentonige velden, waar niets anders groeide dan wilde lavendel… Ik had drie dagen gelopen, was mijlenver verwijderd van de bewoonde wereld en had geen water meer. Ik kwam bij een verlaten gehuchtje en ging op zoek naar een oude bron of een put. Ik vond inderdaad een bron, maar die was jammer genoeg opgedroogd. Ik keek rond. Alles was aangevreten door regen en wind, geen huis dat nog een dak had, een kleine kapel met ingestorte klokkentoren. Het was juni, zomer, en de zon stond hoog aan de hemel, maar op deze hoogte had de wind vrij spel. Hij gierde door de gaten in de muren en de geraamten van de huizen kreunden als een wild dier.

Ik moest verder. Na nog eens vijf uur lopen had ik nog steeds geen water gevonden. Overal was het dor en droog, net zo dor en droog als planten die ik onderweg zag. Opeens zag ik in de verte tegen een helling een kleine, donkere, rechtopstaande gestalte. Toen ik dichterbij kwam zag ik dat het een man was, een herder. Rond hem lagen zo’n dertig schapen en een stukje verder zijn hond. Hij liet me wat drinken uit zijn veldfles, en daarna nam hij me mee naar zijn hut op een beschutte plek op de hoogvlakte.

De man liet me binnen. Ik keek rond. Ooit moest dit net zo’n bouwval zijn geweest als de huizen die ik onderweg had gezien, maar ik kon zien dat de herder veel moeite had gedaan om er weer een echt huis van te maken. Het dak was dicht, het was er schoon en opgeruimd en boven het vuur hing een pan soep. De herder zag er verzorgd uit. Hij was geschoren. Ik kon zien dat zijn kleren kapot waren geweest, maar ze waren met zorg versteld.

De man zei niet veel. Hij gebaarde dat ik kon gaan zitten. Hij pakte twee kommen en schonk soep in. Na het eten pakte de herder een zakje en strooide de inhoud ervan op tafel. Voor hem lag een hoop eikels. Hij pakte ze een voor een op, bekeek ze aandachtig en scheidde de goede van de slechte. “Kan ik helpen?” Hij schudde zijn hoofd. Toen hij een hoopje vrij grote eikels had, maakte hij daarvan groepjes van telkens tien. Terwijl hij dat deed legde hij de eikels die wat kleiner waren en een beetje gespleten weer opzij. Toen hij 100 volmaakte eikels voor zich had liggen, stopte hij.

Hij was vanzelfsprekend dat ik er de nacht door zou brengen. Het volgende dorp was immers nog eens anderhalve dag verder lopen, en daarbij wist zelfs ik hoe die zeldzame dorpjes hier waren. Er waren er hoogstens vier of vijf, ver van elkaar gelegen, verscholen in het eikenhakhout op de hellingen. De bewoners waren houtskoolbranders; gezinnen die dicht op elkaar woonden, waarbij ieder alleen voor zichzelf leefde. Er heerste een vurig verlangen om aan dit van god verlaten oord te ontkomen, maar het enige dat het dorp verliet was de houtskool, door de mannen met hun wagens naar de stad gebracht. De vrouwen koesterden hun verbittering. Er heerste rivaliteit. Het ging nergens over en tegelijkertijd over alles. En dan was er die nooit aflatende wind, die de toch al getergde zenuwen eindeloos prikkelde. Ik was blij dat ik onderdak had.

Mijn nieuwsgierigheid naar de zwijgzame herder maakte dat ik nog een dag bleef. Voor hij met zijn kudde op weg ging, doopte hij het zakje met zijn 100 volmaakte eikels in een emmer water. Behalve het zakje nam hij ook een ijzeren staaf mee, zo dik als een duim. Hij liet zijn schapen achter op een weide onder de hoede van zijn hond en liep verder naar boven. Boven aangekomen stak hij de ijzeren staaf in de grond. Hij maakte een gaatje, legde er een eikel in en sloot het gat weer. Even verderop maakte hij een nieuw gat. Dit herhaalde hij totdat alle honderd eikels waren gepland. “Is dit uw grond?” “Nee”. “Van wie is die dan?” “Geen idee. Van niemand of van iedereen of van iemand die zich er niet om bekommert.”

Na het middageten herhaalde zich het ritueel van de vorige avond. Ik kon mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en bestookte de man met vragen. “Waarom doet u dit? Wat wilt u ermee bereiken?”

Hij vertelde dat hij sinds drie jaar bomen plantte in dat verlaten gebied. Hij had er naar schatting nu zo’n 100.000 geplant. Van elke vijf die hij had geplant was er misschien een opgekomen, ongeveer 20.000 dus. De helft daarvan zou mogelijk aangevreten worden door knaagdieren of anderszins vernield worden, dan bleven er nog altijd 10.000 eiken over die zouden groeien op plaatsen waar daarvoor helemaal niets was.

De man, die ik schatte op een jaar of vijfenvijftig, heette Elzeard Bouffier. Hij had een boerderij gehad op de vlakte, maar had zich na de dood van zijn enige zoon en later van zijn vrouw teruggetrokken, en leefde een rustig en eenvoudig leven met zijn schapen en zijn hond. Hij merkte dat het land ten onder ging door gebrek aan bomen en omdat hij niets belangrijks te doen had, had hij besloten daar iets aan te doen. Behalve eiken hoopte hij de komende tijd ook beuken en – in de vochtigere dalen – berken aan te planten.

De volgende dag verliet ik de herder. Ik zou hem vijf jaar niet meer zien. Ik nam dienst in het leger. Kort daarop brak de oorlog uit en ik dacht niet meer aan de man en zijn bomen. Na de oorlog had ik wat geld en verlangde ik naar zuivere lucht en de rust van de natuur. En toeval of niet, ik kwam in het gebied terecht waar ik vijf jaar tevoren had gewandeld. Het land was nog hetzelfde, maar toch leek er iets veranderd. Nadat ik het verlaten dorpje achter me had gelaten, zag ik in de verte een soort grijze nevel die de hellingen als een tapijt bedekte. Ik moest ineens weer denken aan de bomenplantende herder. Tienduizend eiken, dacht ik, dat zijn er een heleboel. Ik vroeg me af of de man nog leefde. En of, hij was zelfs gezonder dan ooit. Alleen had hij de schapen ingeruild tegen een honderdtal bijenkorven. De schapen vraten zijn jonge planten aan. En al die jaren was hij doorgegaan met planten en had zich niets aangetrokken van de oorlog.

De eerste eiken die hij had geplant waren nu zo’n tien jaar oud en hoger dan wij beiden. Ik liep in stilte naast Bouffier door dat woud van zo’n elf kilometer lang en drie kilometer breed. En dan te bedenken dat dit allemaal het werk was van een man, met zijn blote handen…. En ik, die de jaren daarvoor vooral veel vernietiging had gezien, bedacht me op dat moment tot wat een scheppende kracht een mens in staat was…. Bouffier had gewoon gedaan wat hij zich had voorgenomen: bomen planten. Behalve de stoere eiken zag ik beuken die inmiddels tot mijn schouders reikten en wat lager in het dal groepjes berken, nu zo’n vijf jaar oud. Lichtgroene pluimen en witte stammen met zwarte zebrastrepen. Toen ik later terugliep naar het dorp, zag ik ineens water stromen in beekjes die sinds mensenheugenis droog waren geweest. De wind droeg zaden aan en met het teruggekeerde water zouden wellicht ook de wilgebomen, de weiden en de bloemen terugkeren.

Niemand had in de gaten wat er gebeurde. De jagers in het gebied dachten dat het het werk van de natuur was, een speling van het lot. Ik besloot de herder ieder jaar een bezoek te brengen. En al die jaren ging hij door met bomen planten. Midden jaren ’30, Bouffier was zo’n kleine 25 jaar bezig met zijn levenswerk, kreeg hij bezoek van een stomverbaasde houtvester, die hem verbood om buiten vuur te maken zodat hij dat prachtige natuurlijke bos niet in gevaar zou brengen. Het was nog nooit voorgekomen, zei de man, dat er zomaar uit het niets zo’n prachtig bos was ontstaan. De hellingen waren inmiddels bedekt met bomen van zes, zeven meter hoog. Het bos kreeg zelfs een beschermde status.

De laatste keer dat ik Elzeard Bouffier heb gezien, was net na de oorlog, in juni 1945. Hij was inmiddels zevenentachtig jaar. Sinds kort was er een busdienst tussen het dal en de bergen waar ik gebruik van maakte. Ik herkende na de omgeving niet meteen, maar dacht dat dat kwam doordat ik nu in de bus zat. Pas toen ik de naam van een dorpje zag, bleek het hetzelfde gebied te zijn als waar ik al die jaren op bezoek was geweest.
De bus zette me af in Vergons. In 1913 was dit een gehucht van tien tot twaalf huizen, met welgeteld drie inwoners die elkaar meden als de pest.

Alles was veranderd. In plaats van de harde, droge rukwinden van vroeger voelde ik nu een zachte bries die allerlei geuren met zich mee bracht. Ik hoorde het geluid van water dat in een bekken stroomde en zag dat mensen een bron hadden gemaakt waar het water rijkelijk uit vloeide. Vlakbij de bron stond een jonge lindeboom door de mensen aangeplant.

Alles in Vergons ademde hoop. Mensen hadden de oude verlaten huizen afgebroken en nieuwe gebouwd. Er woonden al achtentwintig mensen, vier gezinnen met jonge kinderen. Rond de nieuwe huizen hadden de bewoners moestuinen aangelegd waarin rijtjes groenten en bloemen groeiden. Nadat de bus me had afgezet, ging ik te voet verder de berg op. Op de lager gelegen hellingen van de berg zag ik kleine akkers met gerst en rogge. Beneden in de dalen kleurden de graslanden groen. De oude bronnen, die lange tijd droog hadden gestaan, werden gevoed door de regen en de sneeuw die door de wouden werden vastgehouden, en stroomden weer. Sinds die tijd zijn de dorpen herbouwd, mensen kwamen terug en met hen leven en avontuur. Ik denk dat zeker tienduizend mensen hun geluk te danken hebben aan een enkele man, Elzeard Bouffier,de man die bomen plantte.