Aandacht

sep 4, 2017

Lisette Steentjes

 

Lisette Steentjes vertelt als gastspreker
een verhaal met het thema ‘aandacht’.

 

 

 

Er is het verhaal van de indianen hoofdman die als gewoonte heeft elke avond zijn kleinzoon een kort verhaal te vertellen rond een levenswijsheid.

Twee wolven, een wolf van angst en verdriet en een wolf van vreugde en geluk. Welke wolf ik voeding geef.
Twee wolven: dat wat je aandacht geeft groeit.

Er is een deel dat gehoord en gezien moet worden, ook als dat angst en verdriet is. Maar dat is wat anders dan dat stuk voeden. Dan wordt dat namelijk de enige waarheid en sluiten we ons af van de andere kant.

Lisette Steentjes

 

Lisette Steentjes vertelt als gastspreker
een verhaal met het thema ‘aandacht’.

 

 

 

Er is het verhaal van de indianen hoofdman die als gewoonte heeft elke avond zijn kleinzoon een kort verhaal te vertellen rond een levenswijsheid.

Twee wolven, een wolf van angst en verdriet en een wolf van vreugde en geluk. Welke wolf ik voeding geef.
Twee wolven: dat wat je aandacht geeft groeit.

Er is een deel dat gehoord en gezien moet worden, ook als dat angst en verdriet is. Maar dat is wat anders dan dat stuk voeden. Dan wordt dat namelijk de enige waarheid en sluiten we ons af van de andere kant.

We hebben het vaak over aandacht. Aandacht in de zin van:
Houd je aandacht er eens bij of juist:
Ik kan mijn aandacht er niet bij houden.

Aandacht in de zin van:
Zijn bij wat je aan hete doen bent. Waar je ook gaat, daar ben je.
We kennen dat ook onder de naam Mindfulness.

Aandacht in de zin van:
Stilstaan ipv doorhollen, aandacht voor je omgeving of voor de mensen om je heen…

En ook in de vorm van:
Aandacht geven of aandacht vragen of juist opeisen.
Aandacht krijgen of geen aandacht hebben gehad.

En er is een zin die ik vaak hoor in mezelf:
Dat wat je aandacht geeft, groeit

Shambala

De tocht is lang en zwaar geweest. Zijn voeten doen pijn en zijn kleren zitten onder het stof. Weken is hij onderweg geweest. Zijn tocht heeft hem over vele wegen gevoerd, langs talloze dorpen. En daar, daar ziet hij de herberg.

pleisterplaats

Blij dat hij zijn voeten rust kan geven, zijn dorst kan lessen, zij rugzak af kan doen. Hij heeft het volbracht. Hij kijkt even naar het bord boven de deur: Shamala, hij duwt licht tegen de deur die meegeeft en loopt dan naar binnen. Het is nog rustig. Er staan wat tafels en stoelen. De gebruikelijke snuisterijen. De waardin, een rustige vrouw spoelt wat glazen om en aan de var zit een man, een reiziger net als hij.Zijn kleren onder het stof, schoenen waar de gaten in zijn gevallen. Een gebogen rug. Hij kijkt niet op of om.
De man knikt even naar de waardin en neemt plaats aan een van de tafels. Hij doet zijn ogen een moment dicht en zucht, moe maar voldaan. De vrouw geeft hem even de tijd en loopt naar hem toe. De man bestelt wat drinken, vraagt haar wat eten te brengen en reserveert een bed voor de nacht. Opnieuw sluit hij de ogen en zo blijft hij in stilte zitten tot de vrouw terugkomt met een heerlijk geurend warm maal. Dankbaar zet de man zich aan he eten dat ij met aandacht en smaak opeet. Als hij is uitgegeten staat hij op en brengt het bord naar de bar.

Het lijkt of de ander reiziger zich al die tijd niet heeft verroerd. Zijn rug is nog net zo gebogen, vastgezet in de tijd. De man neemt plaats aan de bar en begroet de ander. Het antwoord is een korte knik, van een vermoeid hoofd, ogen die ver weg lijken te kijken. Na een tijdje zo te hebben gezeten, waarin de mannen aan elkaars nabijheid lijken te wennen, ontstaat er een voorzichtig gesprek. Over hoe lang ze onderweg zijn geweest, hoe hun reis is verlopen ….

De man met de gebogen rug praat kortaf, fragmenten van zinnen. Zijn tocht was een martelgang,geen goed woord over  vertellen… Wat wil je horen? Hij haalt zijn schouders op. Maar dan komt hij langzaam op stoom. Hij vertelt over de vele wegen die hij heeft gelopen, dagen, weken achtereen.Het stof plakt nog aan zijn kleren en zijn schoenen vallen bijna uiteen. De wereld heeft haar glans verloren, meneer. Ik heb niets van schoonheid gezien. De mensen stonden stil langs de weg en staken geen hand naar me uit. En ik verrekte het om te vragen. Daar waar ik heb geslapen was het bed koud de dekens hard en het eten karig. Ik heb in en oude stal geschuild bij het vee, toen de regen de wereld geselde. En toen de zon brandde volde mijn tong als een oud stuk leer. De honden blaften tegen me, zelfs de vogels trokken weg. Nee, leer mij de wereld kennen. Hij lacht schamper.

De andere man blijft even stil. Het lijkt of hij schroomt om te beginnen. Dan vertelt hij, eerst schuchter.. over de vele wegen die hij heeft gelopen, dagen, weken achtereen. Het stof plakt nog vast aan zijn kleren en zijn schoenen vallen bijna uiteen. Zijn voeten waren moe maar de rust net en het maal hebben de ergste vermoeidheid al verdreven. Dankbaar knikt hij. Dan vertelt hij over zijn verwondering, over hoe op de meest onooglijke plekken de natuur tot leven komt. Hoe tussen de stenen planten bloeien met een levenskracht en uitbundigheid die hem blij maakte. Hoe de dieren uit hun schuilplaatsen leken te komen om hem te vergezellen op zijn tocht. Hij vertelt over de kleine lapjeskat die op zijn schoot kwam zitten toen het hem zwaar te moede was. hij vertelt over de mensen die hem de weg hebben gewezen, bereid om te helpen waar nodig. Over de vriendelijke blikken die hij zag,waar dan ook. Over het schonen bed, meer dan eens, waar hij zijn vermoeide lijf te ruste kon leggen. Het eenvoudige maal dat zo heerlijk smaakte. Over hoe de warmte van het veer in de stal waar hij schuilde hem in gedachte terugbracht naar de lang winteravonden thuis. En toen de zon brandde een herder zijn drinkfles met hem deelde. Over de honden die blij leken hem te zien en hem blaffend en kwispelend tegemoet renden. En hoe zwermen vogels de prachtigste dansen opvoerden in de lucht. Zijn hele lijf spreekt mee als hij vertelt. Over het gezicht van de man ligt een zachte dankbare glans als hij zijn herinneringen deelt.

Shambala

De tocht is lang en zwaar geweest. Zijn voeten doen pijn en zijn kleren zitten onder het stof. Weken is hij onderweg geweest. Zijn tocht heeft hem over vele wegen gevoerd, langs talloze dorpen. En daar, daar ziet hij de herberg.

pleisterplaats

Blij dat hij zijn voeten rust kan geven, zijn dorst kan lessen, zij rugzak af kan doen. Hij heeft het volbracht. Hij kijkt even naar het bord boven de deur: Shamala, hij duwt licht tegen de deur die meegeeft en loopt dan naar binnen. Het is nog rustig. Er staan wat tafels en stoelen. De gebruikelijke snuisterijen. De waardin, een rustige vrouw spoelt wat glazen om en aan de var zit een man, een reiziger net als hij.Zijn kleren onder het stof, schoenen waar de gaten in zijn gevallen. Een gebogen rug. Hij kijkt niet op of om.
De man knikt even naar de waardin en neemt plaats aan een van de tafels. Hij doet zijn ogen een moment dicht en zucht, moe maar voldaan. De vrouw geeft hem even de tijd en loopt naar hem toe. De man bestelt wat drinken, vraagt haar wat eten te brengen en reserveert een bed voor de nacht. Opnieuw sluit hij de ogen en zo blijft hij in stilte zitten tot de vrouw terugkomt met een heerlijk geurend warm maal. Dankbaar zet de man zich aan he eten dat ij met aandacht en smaak opeet. Als hij is uitgegeten staat hij op en brengt het bord naar de bar.

Het lijkt of de ander reiziger zich al die tijd niet heeft verroerd. Zijn rug is nog net zo gebogen, vastgezet in de tijd. De man neemt plaats aan de bar en begroet de ander. Het antwoord is een korte knik, van een vermoeid hoofd, ogen die ver weg lijken te kijken. Na een tijdje zo te hebben gezeten, waarin de mannen aan elkaars nabijheid lijken te wennen, ontstaat er een voorzichtig gesprek. Over hoe lang ze onderweg zijn geweest, hoe hun reis is verlopen ….

De man met de gebogen rug praat kortaf, fragmenten van zinnen. Zijn tocht was een martelgang,geen goed woord over  vertellen… Wat wil je horen? Hij haalt zijn schouders op. Maar dan komt hij langzaam op stoom. Hij vertelt over de vele wegen die hij heeft gelopen, dagen, weken achtereen.Het stof plakt nog aan zijn kleren en zijn schoenen vallen bijna uiteen. De wereld heeft haar glans verloren, meneer. Ik heb niets van schoonheid gezien. De mensen stonden stil langs de weg en staken geen hand naar me uit. En ik verrekte het om te vragen. Daar waar ik heb geslapen was het bed koud de dekens hard en het eten karig. Ik heb in en oude stal geschuild bij het vee, toen de regen de wereld geselde. En toen de zon brandde volde mijn tong als een oud stuk leer. De honden blaften tegen me, zelfs de vogels trokken weg. Nee, leer mij de wereld kennen. Hij lacht schamper.

De andere man blijft even stil. Het lijkt of hij schroomt om te beginnen. Dan vertelt hij, eerst schuchter.. over de vele wegen die hij heeft gelopen, dagen, weken achtereen. Het stof plakt nog vast aan zijn kleren en zijn schoenen vallen bijna uiteen. Zijn voeten waren moe maar de rust net en het maal hebben de ergste vermoeidheid al verdreven. Dankbaar knikt hij. Dan vertelt hij over zijn verwondering, over hoe op de meest onooglijke plekken de natuur tot leven komt. Hoe tussen de stenen planten bloeien met een levenskracht en uitbundigheid die hem blij maakte. Hoe de dieren uit hun schuilplaatsen leken te komen om hem te vergezellen op zijn tocht. Hij vertelt over de kleine lapjeskat die op zijn schoot kwam zitten toen het hem zwaar te moede was. hij vertelt over de mensen die hem de weg hebben gewezen, bereid om te helpen waar nodig. Over de vriendelijke blikken die hij zag,waar dan ook. Over het schonen bed, meer dan eens, waar hij zijn vermoeide lijf te ruste kon leggen. Het eenvoudige maal dat zo heerlijk smaakte. Over hoe de warmte van het veer in de stal waar hij schuilde hem in gedachte terugbracht naar de lang winteravonden thuis. En toen de zon brandde een herder zijn drinkfles met hem deelde. Over de honden die blij leken hem te zien en hem blaffend en kwispelend tegemoet renden. En hoe zwermen vogels de prachtigste dansen opvoerden in de lucht. Zijn hele lijf spreekt mee als hij vertelt. Over het gezicht van de man ligt een zachte dankbare glans als hij zijn herinneringen deelt.

Het blijft even stil. Dan haalt de andere man zijn schouders op. Niet veel later vertrekken beide mannen naar hun bed. De volgende dag verlaten ze de herberg, elk op zijn eigen tijd.Als de waardin later de kamers ontruimt en de bedden verschoont vindt ze op beide kamers de met de hand getekende routekaarten die de mannen hebben achtergelaten.

De weg doet iedereen anders

De weg doet iedereen anders

De weg doet iedereen anders

Peinzend legt ze beide kaarten naast elkaar. Beide mannen hebben dezelfde wegen gelopen, dezelfde pleisterplaatsen aangedaan. Dezelfde mensen ontmoet, dezelfde dingen gezien. Ze hebben allen beide met een andere blik gekeken.
Dat wat je aandacht geeft, groeit

De chrysant

De avond was al gevallen. Keizer Hui-Tsang zat in zijn tuin en liet zijn blik langzaam over de bloemen glijden. In het maanlicht leek de pruimenbloesem nog witte dan over dag en de donkere scherpe silhouetten van de bamboestengels vormden daarmee een prachtig contrast. Vanaf de zitplaats van de keizer liep de tuin glooiend omlaag naar de rivier de Kiang die daar glanzende en traag stroomde. De keizer zat daar en peinsde over de schoonheid van zijn planten.
Hij had zich omringd met de prachtigste planten, bloemen en bomen. En in zijn paleis hing een uitgebreide collectie schilderijen over hetzelfde onderwerp. Kunst, ja, maar ook gekunsteld. Hij hield van zijn schilderijen, maar het had weinig meer te maken met de natuur die hem hier buiten omringde. All schilderijen leken op elkaar, waren allemaal op eenzelfde manier tot stand gekomen. Steeds gepenseeld op dezelfde manier, steeds dezelfde composities. Het resultaat van het eindeloos naschilderen van de grote meester ui de oudheid.

‘Zou er iemand zijn die een schilderij kon maken volgens de traditie en dat toch levensecht zou zijn ?’ Daaraan dacht de keizer die avond in zijn tuin.

De volgende dag ontbood de keizer vier beroemde kunstenaars : Li-Lang, YÜ Hsang, Ni Tsang en Li-an-chi. Zij kregen elk de opdracht een plant te schilderen waarbij traditie en natuurgetrouwe weergave hand in hand moeste gaan.

Chrysant

Elk van de schilders kreeg een plant toegewezen. Li-Lang kreeg de opdracht de bamboe te schilderen die het hoogst in aanzien stond in het keizerrijk, de chrysant. Vijf jaar de tijd kregen de mannen. Een wel heel royale tijd voor het schilderen van een bloem, maar deze planten waren wel de meest geliefde planten in het keizerrijk en werden aangeduid als ‘de vier heren’. De opdracht was eervol, maar ook beangstigend. Als het werk niet aan de zeer hoge eisen van de keizer voldeed, kon men in ongenade vallen. De keizer beschikte immers over leven en dood van al zijn miljoenen onderdanen.

De jaren gingen voorbij. De schilders werkten elk teruggetrokken in hun ateliers aan hun opdracht. De meesten van hen waren al lang klaar voor het verstrijken van de termijn. Op de vastgestelde dag kwamen de meesters naar het paleis. Drie van hen droegen behoedzaam hun opgerolde werk. De vierde, Li-an-chi had niets bij zich, tot grote schrik van zijn kunstbroeders.

De schilders verschenen voor de drakentoon en onthulden een voor een hun werk. Li-lang ontrolde zijn bamboe, donder geschilderd n een winters landschap. De tegenstelling van die donkere buigzaam, veerkrachtige stengels ende verstarring van het wit van de sneeuw en het ijs gaf het werk een enorme zeggingskracht.

Yü-hsang kwam met de orchis, zwierig in de zomerwind. Een kleine vlinder fladderde om de bloemen. De mensen hielde hun adem in want het leek alsof de bloem echt heen en weer wiegde en het diertje moeite had om te gaan zitten.

En toen kwam Ni-Tsang met zijn pruimenbloesem. Ze vloeide zo blank en vlinderachtig, zo teer, elegant, ingetogen dat alle aanwezige courtisanes (dames) hun gezicht bedekten. Zij die eigenlijk de uitverkorenen waren van het hof, schaamden zich, voelden zich lelijk en grof vergeleken bij de schoonheid en elegantie an de pruimenbloesem.

En li-an-chi had niets,. De keizer, in een goed humeur en uiterst tevreden met de drie meesterwerken die hij net had gezien, leunde verbaasd achterover. “Zijn vijf jaar zo kort, Li-an-chi dat u het  waagt om zonder schilderij voor Ons te verschijnen?” Li-an-chi antwoordden: “O Hemelse Heerser, Mijn schilderij is gereed” Maar waar, bij de Westerse barbaren, waar is het dan?”  “Verheven heerser, ik zal het u tonen. Laat men mij verf, penselen en zijde brengen.”

Er ging een golf van onrust door de zaal heen. Ontstemd over de vrijmoedigheid van de schilder maar ook geamuseerd en nieuwsgierig gaf de keizer een wenk aan een van zijn dienaren.

Li-an-chi ging zitten, bereide de kleuren en begon onder doodse stilte te schilderen. Alle aanwezigen hielden de adem in, want wat ze daar zagen leek helemaal niet op schilderen. Het was alsof ze de natuur zelf aan het werk zagen.

Eerst was er de leegte. Daarna met een grijze verfstreek de bodem. Uit die bodem begon een plant te groeien. Stengels verschenen die zich met hun wortels stevig vastgrepen in de grond. Bladeren ontvouwden zich, er ontstonden knoppen en ineens waren er bloemen. Stralende bloemen van een verbijsterende kracht en kleur.

De chrysant

De avond was al gevallen. Keizer Hui-Tsang zat in zijn tuin en liet zijn blik langzaam over de bloemen glijden. In het maanlicht leek de pruimenbloesem nog witte dan over dag en de donkere scherpe silhouetten van de bamboestengels vormden daarmee een prachtig contrast. Vanaf de zitplaats van de keizer liep de tuin glooiend omlaag naar de rivier de Kiang die daar glanzende en traag stroomde. De keizer zat daar en peinsde over de schoonheid van zijn planten.
Hij had zich omringd met de prachtigste planten, bloemen en bomen. En in zijn paleis hing een uitgebreide collectie schilderijen over hetzelfde onderwerp. Kunst, ja, maar ook gekunsteld. Hij hield van zijn schilderijen, maar het had weinig meer te maken met de natuur die hem hier buiten omringde. All schilderijen leken op elkaar, waren allemaal op eenzelfde manier tot stand gekomen. Steeds gepenseeld op dezelfde manier, steeds dezelfde composities. Het resultaat van het eindeloos naschilderen van de grote meester ui de oudheid.

‘Zou er iemand zijn die een schilderij kon maken volgens de traditie en dat toch levensecht zou zijn ?’ Daaraan dacht de keizer die avond in zijn tuin.

De volgende dag ontbood de keizer vier beroemde kunstenaars : Li-Lang, YÜ Hsang, Ni Tsang en Li-an-chi. Zij kregen elk de opdracht een plant te schilderen waarbij traditie en natuurgetrouwe weergave hand in hand moeste gaan.

Chrysant

Elk van de schilders kreeg een plant toegewezen. Li-Lang kreeg de opdracht de bamboe te schilderen die het hoogst in aanzien stond in het keizerrijk, de chrysant. Vijf jaar de tijd kregen de mannen. Een wel heel royale tijd voor het schilderen van een bloem, maar deze planten waren wel de meest geliefde planten in het keizerrijk en werden aangeduid als ‘de vier heren’. De opdracht was eervol, maar ook beangstigend. Als het werk niet aan de zeer hoge eisen van de keizer voldeed, kon men in ongenade vallen. De keizer beschikte immers over leven en dood van al zijn miljoenen onderdanen.

De jaren gingen voorbij. De schilders werkten elk teruggetrokken in hun ateliers aan hun opdracht. De meesten van hen waren al lang klaar voor het verstrijken van de termijn. Op de vastgestelde dag kwamen de meesters naar het paleis. Drie van hen droegen behoedzaam hun opgerolde werk. De vierde, Li-an-chi had niets bij zich, tot grote schrik van zijn kunstbroeders.

De schilders verschenen voor de drakentoon en onthulden een voor een hun werk. Li-lang ontrolde zijn bamboe, donder geschilderd n een winters landschap. De tegenstelling van die donkere buigzaam, veerkrachtige stengels ende verstarring van het wit van de sneeuw en het ijs gaf het werk een enorme zeggingskracht.

Yü-hsang kwam met de orchis, zwierig in de zomerwind. Een kleine vlinder fladderde om de bloemen. De mensen hielde hun adem in want het leek alsof de bloem echt heen en weer wiegde en het diertje moeite had om te gaan zitten.

En toen kwam Ni-Tsang met zijn pruimenbloesem. Ze vloeide zo blank en vlinderachtig, zo teer, elegant, ingetogen dat alle aanwezige courtisanes (dames) hun gezicht bedekten. Zij die eigenlijk de uitverkorenen waren van het hof, schaamden zich, voelden zich lelijk en grof vergeleken bij de schoonheid en elegantie an de pruimenbloesem.

En li-an-chi had niets,. De keizer, in een goed humeur en uiterst tevreden met de drie meesterwerken die hij net had gezien, leunde verbaasd achterover. “Zijn vijf jaar zo kort, Li-an-chi dat u het  waagt om zonder schilderij voor Ons te verschijnen?” Li-an-chi antwoordden: “O Hemelse Heerser, Mijn schilderij is gereed” Maar waar, bij de Westerse barbaren, waar is het dan?”  “Verheven heerser, ik zal het u tonen. Laat men mij verf, penselen en zijde brengen.”

Er ging een golf van onrust door de zaal heen. Ontstemd over de vrijmoedigheid van de schilder maar ook geamuseerd en nieuwsgierig gaf de keizer een wenk aan een van zijn dienaren.

Li-an-chi ging zitten, bereide de kleuren en begon onder doodse stilte te schilderen. Alle aanwezigen hielden de adem in, want wat ze daar zagen leek helemaal niet op schilderen. Het was alsof ze de natuur zelf aan het werk zagen.

Eerst was er de leegte. Daarna met een grijze verfstreek de bodem. Uit die bodem begon een plant te groeien. Stengels verschenen die zich met hun wortels stevig vastgrepen in de grond. Bladeren ontvouwden zich, er ontstonden knoppen en ineens waren er bloemen. Stralende bloemen van een verbijsterende kracht en kleur.

Het schilderij was zo levensecht da de keizer zich onwillekeurig bukte om de geur op te snuiven. De meester deed een stap terug en legde het penseel neer. Nog geen half uur had hij nodig gehad om een kunstwerk te make zoals niemand ooit had aanschouwd.

Het mooiste bloeit in jezelf

Het mooiste bloeit in jezelf

Het mooiste bloeit in jezelf

Het schilderij was zo levensecht da de keizer zich onwillekeurig bukte om de geur op te snuiven. De meester deed een stap terug en legde het penseel neer. Nog geen half uur had hij nodig gehad om een kunstwerk te make zoals niemand ooit had aanschouwd.

De keizer was geraakt en verwonderd.  “Wat is het geheim van uw kunst, Li-an-chi?” “zoon des hemels, ik heb geen geheimen, maar als u mijn nederig atelier zou willen bezoeken, kan ik u de achtergrond van dit werk tonen.”

De keizer leek de verontwaardiging van de aanwezige hovelingen en courtisanes over zoveel brutaliteit niet te horen , en gaf te kennen dat hij graag aan dit verzoek wilder voldoen. Het gezelschap begaf zich naar het houten huis van de meester. De keizer trad binnen en bleef verrast staan. Langs alle wanden, op de de muren, zelfs tegen het dak, overal hingen schilderijen van chrysanten. Chrysanten ontkiemend, in knop, verwelkend. Zelf op de grond lagen tekeningen en overal stonden potten met de geliefde plant. De vijf jaar had Li-an-chi gebruikt om naar planten te kijken, ze telkens opnieuw te tekenen en te schilderen. Elk detail had hij honderden keren gezien en vastgelegd. Zo kon hij in een half uur het mooiste schilderij van het rijk maken, zonder de aanwezigheid van de plant zelf. Die bloeide immers in hemzelf.