6 april 2015

Bij binnenkomst – deze keer in de paarse zaal – klinkt “Here comes the sun” van de Beatles.

Maarten Noordzij is gastspreker en vertelt.

Er was eens een houtsnijder die alle dagen hout sneed. Zelfs als hij geen hout sneed, probeerde hij nog hout te snijden. Hij had ooit de troon voor de koning gesneden, het kabinet voor de minister, de kansel voor de dominee en het wapen van de generaal. Daarnaast vond hij nog tijd om hartstochtelijk over de zin van het bestaan te discussiëren met ieder die hem daaartoe uitdaagde.
Op een zekere dag sneed hij aan een kistje, om zijn vingers soepel te houden, want hij had geen opdrachten op dat moment. Zijn gedachten verstoorden zijn concentratie en hij sneed zich in zijn vingers. Hij keek op de kalender, het was 31 december. Dat kon geen toeval zijn, dacht de houtsnijder, die een bijgelovig man was. Hij besloot het kistje te voltooien en met het houtsnijden te kappen. Hij nam zich voor het kistje te schenken op nieuwjaarsdag aan de eerste de beste jongeling die zijn huis passeerde.
Zo zette hij zich de volgende dag op een stoel voor zijn deur. Op schoot had hij het kistje, zijn laatste proeve van bekwaamheid. Er passeerde een jongeling. De houtsnijder wenkte hem en zij plechtig: “Ik schenk je dit kistje. Alles wat je moet doen is de wereld omzwerven en zorgen dat je hier op 1 januari terug bent. Dan krijg je de sleutel, want in dit kistje zit een Geheim.”

De jongen ging heen en keerde op 1 januari weer terug. Hij hield het kistje voor zich uit en zei tegen de houtsnijder: “Hier is uw kistje terug, ik wil het niet”. Dit verbaasde de houtsnijder zeer. “Waarom?”, vroeg hij. “Wel”, zei de jongeling, “op mijn zwerftochten door de wereld heb ik geen Geheim kunnen ontdekken dat de mens aan de schepping ontfutselde en daarna niet verkwanseld, verloochend of ontluisterd heeft”. De houtsnijder had schik in dit jong. Hij zei: “Hou het kistje maar en gooi de sleutel dan maar weg. In de sloot of zo. Sleutels horen immers in sloten.
De jongeling keerde terug naar zijn huis en zette het kistje op tafel. Hij ging op een stoel zitten en keek ernaar. Het leek wel of het kistje iets wilde zeggen of tonen. Hij begon wild over de inhoud te fantaseren, zonder de behoefte die te vergelijken met de werkelijke inhoud. Nee, juist de ruime variatie van mogelijkheden sprak hem aan. Hij wordt hongerig, misschien van het denken, maar het kan ook komen door de bakker die aanbelt. De jongeling doet open en de bakker vraagt of er nog brood moet zijn. Een redelijke vraag voor een bakker. Maar de jongeling, laten we hem voor het gemak Prana noemen, antwoordt niet. Hij kijkt alleen maar naar het kistje. De bakker herhaalt zijn vraag, maar Prana antwoordt niet. “Waar kijk je toch naar?”, vraagt de bakker ongeduldig. “Naar dat kistje”, antwoordt Prana. “Ja”, zei de bakker, “dat kan ik ook wel zien”. “Nou, waarom vraag je het dan?”, zegt Prana. De nieuwsgierigheid van de bakker is echter gewekt.

“Wat zit er in dat kistje?”. “Dat zal ik je zeggen”, antwoordt Prana, “als je me een brood geeft”. Weg is de bakker, om een brood. “En, wat zit er in het kistje?”. “Een geheim”, zegt Prana. “Ja”, zei de bakker beduusd, “maar wat is dan dat geheim?”. “Dat zal ik je vertellen”, zegt Prana, “als je me nog een lekker krentenbrood brengt”. De bakker moet nu even heel goed nadenken. Maar ook nu kan hij zich niet inhouden. Hij haalt het brood en roept: “Wat is het geheim?”.
“Het geheim is”, zegt Prana, “dat ik nooit honger zal hebben, want als ik honger heb, is er altijd wel een nieuwsgierige bakker in de buurt die er een paar broden voor over heeft om te weten wat er in dat kistje zit”.
Diep gekwetst en tot op het bot in zijn menselijke eer aangetast, druipt de bakker af.
En de werking van zijn fascistoïde bijschildklier doet hem opscheppen in het plaatselijke café dat hij het geheim van het kistje kent. Dit blijkt althans uit de komst van de slager drie dagen later. De slager gaat eraan voor een halve koe. Een dag later de man van de SRV, een maand levensmiddelen. De slijter, de verzekeringsagent, en de melkboer volgen elkaar in hoog tempo op. Allen hun handel en waar achterlatend.

Op een dag doet Prana open: de pastoor. Deze stapt ongenood naar binnen en loopt taxerend om het kistje heen. Hij zegt: “Ik ben allerminst benieuwd welk geheim uw kistje bevat. God kent de vele dwaalwegen die zijn schepselen bewandelen. Hij ziet ons zoeken naar het onvindbare. Hij kent ons verlangen naar het onvervulbare. Ons kijken naar het onzichtbare. Ons luisteren naar het onhoorbare, zodat hij ons kan doen geloven in het ongelofelijke. Laten we de zaak regelen en samen de middenstand eronder houden. We zetten het kistje op het altaar in de kerk en de opbrengsten delen we samen. Amen”.
“Is dat alles wat ik er voor krijg?”, vraagt Prana enigszins overdonderd. “Ik kan ervoor zorgen dat u in de hemel komt”, zegt de pastoor, die dan al bij kop en kont is gegrepen en het huis uitgegooid.

Weer enige dagen later gaat de bel. Prana doet open en ziet een prachtige vrouw die langs hem naar binnen glipt. Ze pakt de stofzuiger en begint te zuigen. Als het huis aan kant is, doet ze de afwas, stopt zijn sokken, stoft het kistje af en zet een paar knopen aan zijn gulp.
Prana vindt haar behalve nuttig ook nog zeer aantrekkelijk en alhoewel hij nog geen woord met haar heeft gewisseld, vraagt hij haar ten huwelijk. De vrouw zegt: “Ja, mits je me vertelt wat er in dat kistje zit”. Prana schrikt. Hij wijst haar de deur. Zijn blik volgt haar terwijl ze de weg oversteekt. Er kimt een man achter een boom vandaan die vragen de kin heft. Ze schudt nee.

Nu wordt het betrekkelijk rustig. Behalve een nieuwsgierige leverancier heeft Prana weinig last van bemoeizucht of naijver, en allengs begint het kistje een grotere plaats in zijn leven in te nemen. Het voorziet hem van zijn dagelijkse brood en wordt zijn bron voor fantasie en meditatie. Het is zijn orakel en almanak. Het is voor hem alles.

Op oudejaarsdag maakte hij zijn gebruikelijke wandeling door het naburige bos. Bij terugkeer ziet hij hoe zijn huis omsingeld is door soldaten. Hij wil naar binnen gaan, maar een soldaat houdt hem tegen. “Halt, waarheen gaat gij?”, is de vraag. “Ik woon hier”, zegt Prana. “Dat kunnen ze allemaal wel zeggen”, antwoordt de soldaat, “Mag ik even uw pasje zien?”, laat hij er bits op volgen. “Dat ligt binnen”, zegt Prana naïef. Intussen is in de deuropening een wat lugubere figuur verschenen. Een beetje sinistere, boerenslimme, jonge honderige, a-culturele, vlezige sexueel gefrustreerde man. Kortom, een politicus. Deze zegt: “Het is vijf voor twaalf, economisch gezien. Wij vonden het onverantwoord het geheim langer in het kistje te laten, aangezien het wel eens de oplossing zou kunnen zijn voor onze problemen van werkgelegenheid en teruglopende welvaart.
Prana stormt langs de politicus naar binnen. Op tafel staat het kistje, open en al. Prana roept: “Doe het dicht en zet het terug waar het stond, want ik wil niet weten wat erin zit”. De politicus lacht schamper, “het kistje was leeg. Ik heb u van niets beroofd, hoogstens een paar illusies, maar dat is nu eenmaal het risico dat je loopt in de democratie”. Prana kijkt naar het kistje. Hij beseft dat hij liever een positieve bevestiging van het geheim ziet, maar aanvaart dat ook deze gebeurtenis een facet van het geheim moet zijn. Hij ziet het kistje dat gisteren nog alles voor hem was, nu ineens niets blijkt te zijn. Hij realiseert zich dat noch binnen noch buiten het kostje enige verandering heeft plaats gevonden. Je zou dus kunnen stellen, denkt hij, dat alles gelijk is aan niets. Dat het leven niet alles óf niets is, maar dat alles niets is en niets alles.
Hij geeft de politicus een hand en vraagt hem de blokkade op te heffen. Hij belt de vrouw die hij ooit ten huwelijk vroeg en zegt: “Alles is niets”.
Ze antwoordt: “Dan wil ik je trouwen”. En eenmaal bij hem thuis zegt ze: “Ik heb ook een kistje”. “Jammer”, zegt Prana, “ik heb mijn sleutel in de sloot gegooid”. “Geen nood”, antwoordt de vrouw, “op dit kistje past een andere sleutel. Ze raakt zwanger en hun kind wordt geboren op 1 januari.

Als het kind tien jaar is, loopt het in de kamer en vraagt de vader: “Wat zit er in dat kistje?”.
“Een geheim”, zegt Prana, maar hij schrikt van zichzelf want hij wil voor zijn eigen kind geen geheimen hebben. Dan mompelt hij “Oh, alles of niets”. Het kind pakt het kistje van de plank, doet de deksel open, haalt er een klein briefje uit en leest hardop wat Prana tien jaar daarvoor geschreven heeft.

“Alles is gedaan,
niets helpt,
doe niets.

Overal komt narigheid van,
Nergens is vrede,
Wees nergens.

Iedereen heeft haast,
iedereen is ontevreden,
niemand heeft tijd,
niemand is gelukkig.
Wees niemand.”

[Freek de Jonge, ingekorte tekst]

Het doorgeefvoorwerp is een houten kistje.

Wat heb ik nodig in mijn leven, bijvoorbeeld om gelukkig te worden?
En wat zou het met me doen als er in dat kistje precies datgene zit wat ik nodig heb?
Stel je eens voor dat je al hebt wat je wilt, wat wil je dan dat er in dat kistje zit?
Tevredenheid, volharding, zelfverzekerdheid, liefde, vertrouwen, geduld, een zonnestraaltje …?
Waar word je een rijker mens van?

Maarten nodigt eenieder uit om bij deze vragen stil te staan wanneer je het doosje in je handen hebt.
Tijdens het doorgeven van het kistje speelt Ans op viool en Maarten op gitaar een mooi muziekstuk.
muziekanten

Na het verhaal klinkt “Avond” van Boudewijn de Groot.

Maarten leest voor uit het Boek van zorg en verlangen. Ciel sluit af en nodigt allen uit om samen koffie en thee te drinken, mét paaseitjes!