wie je in wezen bent

feb 2, 2015

Lisette Steentjes is gastspreker en gaat in op het thema “wie je in wezen bent”.
Dit doet ze aan de hand van een verhaal over indianen en hun namen-ritueel.

Bij binnenkomst in de paarse zaal, klinkt rustig kabbelende muziek.

Na de opening, de gong en het aansteken van de kaars, vertelt Lisette haar verhaal.

“Dit verhaal gaat over Grijze Aarde, over indianen, over mannen en vrouwen, over mensen die alles kunnen, over een volk waarin een naam niet zomaar een naam is, maar waar jongens en meisjes later hun echte naam moeten verdienen.
Een zoon vraagt aan Grijze Aarde, zijn vader, waarom hij zo heet. Zijn vader vertelt dat hij deze naam gekregen heeft voor een heldendaad, dat hij deze naam verdiend heeft en waar hij trots op kan zijn. Als je laat zien wie je in wezen bent, krijg je je echte naam. Tot die tijd heb je een “gewone” naam, zoals bijvoorbeeld Sneeuw, of Licht, of Jongen.
De zoon – die nu nog Jongen heet – gaat de volgende morgen voor de eerste keer op bizonjacht. Iedereen verzamelt zich voor de jacht. Jongen zegt dat hij er klaar voor is om de bizon te doden. Daarna krijgt hij zijn echte naam en bestaat de naam Jongen niet meer.
Grijze Aarde vertelt dat een goede en sterke man lijkt op zijn vader en zijn moeder. Dat hij de kracht en wijsheid heeft van allebei.
Ze gaan op pad en Grijze Aarde zegt: “Het is jouw eerste jacht, dus jij mag als eerste schieten”. Bij de bron ziet Jongen een grote bizon, hij spande zijn boog en richtte deze scherp op de bizon. Opeens ziet hij een kleine bizon die langzaam naar zijn moeder kruipt en dicht tegen haar aan gaat liggen. Zijn moeder likt hem zacht met haar warme tong.
Grijze Aarde zegt dat Jongen niet moet wachten, maar deze gooit zijn pijl en boog op de grond. “Raap op”, zegt Grijze Aarde. Jongen doet dit niet. Grijze Aarde zegt tegen zijn zoon dat hij morgen niet meer mee mag, omdat hij geen jagershart heeft.
Als ze weer thuis komen zegt Grijze Aarde: “We gaan vanavond iets vieren met je moeder, bij het kampvuur”. Het naamfeest. Een andere jongen – Sneeuw – had die middag wel een bizon geschoten en is trots. Jongen zou het liefst willen verdwijnen. Hij denkt aan het bizonjong, aan hoe blij het was toen het zijn moeder vond. Grijze Aarde vraagt of Jongen bang is voor wat anderen over hem zeggen. Jongen beaamt dit.
Het naamgevingsritueel begint en Sneeuw krijgt de naam Bizonjager van zijn trotse vader. Daarna staat Grijze Aarde op. Jongen is bang wat zijn vader gaat zeggen. “Onze stam heeft jagers nodig. Mijn zoon is mee geweest op jacht, zijn boog gespannen en stond er helemaal klaar voor. Maar hij heeft geen jagershart, is geen jager. Hij heeft gekozen voor zijn hart in plaats van voor zijn oog, gekozen voor het pad van wijsheid. Zijn naam is Bizonbroeder, een groot genezer”. Jongen is blij en trots.”

[verkorte weergave van het vertelde verhaal].
2 februari 2015

 

Na het verhaal speelt Maarten op zijn gitaar, eerst rustig en ingetogen, daarna opzwepend en hij eindigt zacht en lieflijk.

Lisette vertelt nog iets over het naamgevingsritueel bij indianen. Met de naam die je krijgt blijf je trouw aan jezelf, je bent er blij mee. Ouders die hun zoon erkennen zoals hij is, geven hem de ruimte. Daarbij laten ze de verwachtingen van de ouders en van de zoon zelf los.
Een volk heeft veel mensen nodig, de mensen hebben elkaar nodig. Je krijgt een naam om wie je bent, niet om wat je doet. Jongen heeft geluisterd naar zijn hart. Sneeuw heeft zijn naam gekregen om wat hij deed, omdat hij een jager is.

Het doorgeefvoorwerp is een schaal met zand. Ieder mag zichzelf een naam geven en deze in het zand schrijven, de naam weer wegvagen en de schaal doorgeven. Op de achtergrond klinkt rustige muziek.

Lisette leest vervolgens de tekst voor van het lied “Ken je mij” van Trijntje Oosterhuis.

Refrein:
Ken je mij? Wie ken je dan?
Weet jij mij beter dan ik?
Ken je mij? Wie ben ik dan?
Weet jij mij beter dan ik?

Ogen die door de zon heen kijken
Zoekend naar de plek waar ik woon
Ben jij beeldspraak voor iemand
die aardig is, of onmetelijk ver,
die niet staat en niet valt
en niet voelt als ik,
niet koud en hooghartig

Refrein

Hier is de plek waar ik woon
Een stoel op het water,
Een raam waarlangs het opklarend weer
Of het vallende duister voorbij vaart
Heb je geroepen? Hier ben ik

Refrein

Ik zou een woord willen spreken
Dat waar en van mij is
Dat draagt wie ik ben,
dat het houdt,
Ik zou een woord willen spreken
Dat rechtop staat als mens die mij aankijkt en zegt
Ik ben jouw zuiverste zelf,
Vrees niet, versta mij, ik ben, ik ben

Refrein

Ben jij de enige voor wiens ogen
Niet is verborgen van mijn naaktheid
Kan jij het hebben,
Als niemand anders,
Dat ik geen licht geef, niet warm ben,
Dat ik niet mooi ben, niet veel
Dat geen bron ontspringt
in mijn diepte
Dat ik alleen dit gezicht heb,
geen ander.
Ben ik door jou, zonder schaamte,
gezien, genomen,
door niemand minder?
Zou dat niet veel teveel waar zijn?
Zou dat niet veel teveel waar zijn?

Refrein

Als je hier klikt, kun je het lied horen.

Tot slot leest Lisette voor uit het Boek van Zorg en Verlangen.

Het was een erg mooie bijeenkomst.