Populierenbos

jun 2, 2014

Op 2 juni 2014 was Lisette Steentjes – een verhalenvertelster – gastspreker.

In de bruine zaal hangen afbeeldingen van bomen aan de wand en klinkt de lentemuziek van Vivaldi. Wat maakt jou tot jou, wat maakt mij tot mij? Ofwel: uit welk hout ben jij gesneden, uit welk hout ben ik gesneden?

2 juni 2014 1

Lisette vertelt over een populierenbos, waarvan hier in Nederland meerdere te vinden zijn. Alle bomen lijken op elkaar: lang, recht en ze groeien snel. In de zomerwind hoor je het geritsel en geruis van de bladeren. Opvallend is dat er in zo’n bos geen andere boomsoorten groeien. Een stukje van het bos vandaan staat wel een sparrenboom, en een specht zorgt ervoor dat een zaadje van deze spar tussen de populieren terecht komt. Daar groeit in alle rust een nieuw sparrenboompje uit: rank, slank, en in de wind maakt de boom een ander geluid.

De populierenbomen zien dit, en zeggen: “Jij bent heel anders. Je bent klein, groeit langzaam en kunt alleen maar naar ons opkijken. Je luistert naar de muziek van onze bladeren”.
In het voorjaar krijgt de spar lichtgroene uiteinden aan de takken en groeien er rode bloemetjes aan. In de herfst worden deze bloemetjes sparrenappels.
Toch zegt de spar: “Ik wil net zo groot zijn als jullie, net zo snel groeien, in de winter bladeren laten vallen en in het voorjaar nieuwe bladeren krijgen”.

Op een dag komen houthakkers en zij zagen allen populierenbomen om. Het hout word afgevoerd en snel verwerkt tot meubels. De spar blijft alleen over en ziet voor het eerst de blauwe hemel en de wolken, koeien op een nabij gelegen veld. Hij groeit langzaam en gestaag, en genoot.
Een man – een vioolbouwer – komt naar de spar toe en zegt: “De muziek in jou is precies goed”. De spar vraagt zich af of dat zo zal zijn. Een poosje later komt er een houthakker en zaagt de spar om. Hij legt het hout te ruste en brengt het daarna naar de vioolbouwer. Deze werkt er vele uren aan en langzaam ontstaat er een viool. Als hij hiermee klaar is, gaat hij met de strijkstok over de snaren en komt er prachtige muziek uit. Deze muziek herinnert de man aan de wandeling langs de beek, waar de spar groeide: eindelijk klinkt de spar zoals alleen hij kan klinken, zijn eigen vorm, zijn eigen klank …

Maarten speelt gitaar. De muziek klinkt melodieus en rustgevend. Eigen klanken.

Lisette vraagt hoe je naar een boom kijkt als je deze ziet, of je er wel eens goed naar gekeken hebt? Of je ook naar kleine bomen kijkt? In een bos doen alle bomen ertoe, ieder heeft iets eigens en neemt een eigen plek in in het bos. Ook dode, omgevallen bomen, waarop insecten zitten. Zij zijn voedsel voor schimmels en een schuilplaats voor kleine dieren.
Een gewoon bos is gemengd, er staan van allerlei soorten bomen. Dat maakt een bos zo mooi.

Hoe zou het zijn als al die bomen mensen zouden zijn? Hoe kijken we naar elkaar? Denken we aan wie we moeten zijn, aan hoe we ons moeten gedragen? Hoe hoort het? Moeten we presteren, niet te groot zijn en niet te klein?
Populieren kijken neer op de spar. De spar is prachtig, maar ziet dat zelf niet. Hij is gaan geloven wat populieren van hem denken en ziet niet wie hij zelf is. Wat is zijn karakter? Elke boom heeft zijn eigen karakter.

“Uit welk hout ben jij gesneden?”
Wie ben je, wat is je plek? Hoe ben je als je je goed voelt, of als je bang bent om te breken?
“Vergeet niet uit welk hout je bent gesneden”.
Wie ben ik en wat maakt mij eigen?
Anderen zien dat meestal beter dan jijzelf.

Vervolgens leest Lisette een verhaal voor van Toon Tellegen, over de krekel en de schildpad. De schildpad vraagt zich af of hij werkelijk een schildpad is. Alles maakt hem hierover onzeker en aan het twijfelen
Totdat er een olifant uit een boom valt die naast de schildpad staat en zegt dat de schildpad een schildpad is. Deze denkt hierover na, en zegt na een poosje: “Hallo schildpad. Hallo schildpad …”.

2 juni 2014 2

Lisette laat een houten boomstronk rondgaan en vraagt om na te denken over en stil te staan bij uit welk hout wij zijn gesneden. Op de achtergrond klinkt vioolmuziek.
Tenslotte leest ze voor uit het Boek van Zorg en Verlangen.

Ciel sluit de bijeenkomst af en leest hierbij een gedicht voor van Toon Tellegen uit het boek “Ik wou”:

Ik wou dat ik meer moed had.
Ik heb daar zo weinig van …
Als je moed kon kopen, zou ik er
al mijn geld aan uitgeven.
Het zou mijn kostbaarste bezit zijn.
Gewone moed. Geen heldenmoed of overmoed.
Dagelijkse moed.
Mensen zouden over mij zeggen:
“Zie je hem daar?”
“Ja.”
“Weet je wat hij is?”
“Nee”.
“Moedig. Heel moedig.”
“Oh ja?”
“Ja.”
Geluk kreeg ik er dan voor niks bij.

In de warme lentezon drinken we buiten in de prachtige tuin samen koffie en thee.