André Daamen is gastspreker en vertelt vanuit het Levinisme wat voor een appèl het gelaat (of een foto hiervan) doet op iemand.

De Ander en ik.
Het belang van de Ander in het leven; weerspiegeld in het Gelaat (E.Levinas)

Ik wil graag beginnen met stil te staan bij de vorige Pleisterplaats in maart, waarin Leila Hopman ons meenam in de gedachtewereld van een bijzondere tak van de islam: namelijk de mystieke Soefi beweging. Voor allen die er vorige keer niet bij waren: Leila legde ons uit dat deze beweging leert dat hulp, raad, en de bron van wijsheid te vinden is binnen in jezelf.
Maar vandaag wil ik het juist hebben over de Ander als bron van wijsheid, inspiratie, kracht en vertrouwen. Door te vertellen over een andere zienswijze en filosofie.
Leila liet een gedicht horen van Rumi, een bekende Perzische dichter uit de dertiende eeuw, die door de mensen die geïnspireerd zijn door de Soefi mystiek, heel graag wordt gelezen.
En met een gedicht van dezelfde Rumi wil ik nu deze Pleisterplaats openen.
Het is een gedicht, dat verteld over hoe wij de Ander vaak zien, hoe verschillen en misverstanden kunnen ontstaan. Het gedicht heet: Olifant

Olifant

De kamer is donker.
Op de tast voelen we,
allemaal.

De een voelt een slurf:
het lijkt wel een tuinslang.
De ander een poot:
nee, ’t is een pilaar.
Een oor: een waaier.
Een rug: een troon van leer.

Allen voelen een deel,
en denken aan het geheel.

Wat we nodig hebben is licht.
Een enkele kaars volstaat
en weg zijn de verschillen.

[Djalal ad-Din Rumi (1207 – 1273)]

Met het thema ‘de Ander en ik’ snijd ik een heel andere gedachte aan als mogelijke bron voor je bestaan:
Buiten je innerlijke wijsheid zou het antwoord en de motivatie van je bestaan kunnen liggen in de Ander. En meer in het bijzonder: dat wat in de blik, in het gezicht, de ogen en de uitstraling van de Ander weerspiegeld is.
Er is niets dat een sterkere indruk op ons kan maken als mens, dan het echt aanschouwen van het Gelaat. Of dat nu is van een mens of van een dier.

Een persoonlijk verhaal

In 1988, ik was toen 32, begon ik aan mijn vader te merken dat hij dingen vergat en zich begon terug te trekken. Hij antwoordde vaak met algemene opmerkingen en namen ontweek hij. Het was duidelijk dat er iets met hem aan de hand was. Hij begon zich ook steeds ongelukkiger te voelen en dat was de reden om naar de dokter te gaan. Uit de onderzoeken die volgden bleek dat hij de Ziekte van Alzheimer had.
Voor hem was dat een groot onheil dat hem overkwam. Hij werd er erg depressief van. En kon urenlang verdrietig zijn en verzuchten dat de overheid helemaal niets deed aan het bestrijden van deze ziekte. Voor mijn moeder werd het erg zwaar om het allemaal op te vangen en alhoewel zij in Eindhoven woonden en ik in Boxmeer, besloot ik er vaak naar toe te gaan na mijn werk om de zorg mee te helpen dragen.
Mijn vader begon allerlei dingen kwijt te raken, waaronder de weg. Hij had een briefje met zijn naam en zijn adres erop in zijn jaszak zitten. En soms als hij niet meer wist waar hij was, belde hij gewoon bij een onwillekeurig huis aan en overhandigde dan dat briefje aan degene die opendeed. Hij zei dan: “Ik heb de ziekte van Alzheimer en ik weet niet waar ik ben”. En dan werd hij thuisgebracht door deze vreemde mensen.
Op een dag was hij zijn gereedschapstas kwijt. Hij was er van overtuigd dat de tas gestolen was door dieven. Dat gereedschap was heel erg belangrijk voor hem. Hij is smid geweest en altijd bezig met dingen te maken en te repareren. Zonder na te denken dacht ik hem te helpen door mee te zoeken. En natuurlijk ergens op zolder vond ik de tas terug. “Kijk pa, ik heb de tas gevonden!” zei ik enthousiast. En de blik in zijn ogen toen, zal ik nooit meer vergeten. Diepe, diepe wanhoop Het was voor hemzelf een verschrikkelijke confrontatie over hoe het met hem gesteld was. En voor mij ook. (Keerpunt..)

Wil jij de tas meenemen voor mij? Want bij jou is hij veilig” zei hij nog. “Natuurlijk vader, dat doe ik. Ik zal er heel goed op passen voor je en als je hem nodig hebt, dan zeg je het maar en kom ik hem brengen”, zei ik zo natuurlijk mogelijk, maar van binnen diep geraakt. Op dat moment is er iets wezenlijks veranderd in het contact naar hem toe.

Ik heb nooit een goede band gehad met mijn vader vroeger. Hij was driftig en gebruikte veel geweld toen mijn zussen en ik klein waren. Dat is absoluut niet goed te keuren en is bij mij dan ook heel lang reden geweest voor boosheid, verwijten en afstand. Maar de blik in zijn ogen; die dag – de volledige hulpeloosheid kwam zó binnen dat ik door een overweldigend gevoel van mededogen werd vervuld en overvallen. Ik voelde instinctief: ik kan hem nu niet alleen laten, ik moet hem nabij zijn in zijn angst en paniek. In zijn wereld waarin hij de grip volkomen verloren had.

Korte pauze met muziek van Cat Stevens: Father and Son

Tegelijk kwam er ook iets heel zachts over mijn vader. Hij wilde je hand soms vasthouden en dicht tegen je aanzitten. Een beetje vastklampen, steun voelen. Soms mompelde hij wat later in de tijd, dat hij het idee had dat hij veel verkeerd had gedaan in zijn leven en dat hij daar vergeving voor wilde. Voor mijn moeder was dat enorm waardevol, want als partner was hij jarenlang koud en afwijzend geweest tegenover haar. En vanaf dat moment (weer zo een omslagmoment) kon mijn moeder er ook weer helemaal voor hem zijn.
In 1991 was mijn vader zover in het proces, dat hij steeds dieven zag in huis en daar dag en nacht naar op zoek was. En toen hij op een dag mijn moeder aanzag voor een dief en haar met een mes te lijf wilden gaan, was het ogenblik aangebroken dat hij niet meer thuis kon zijn.
En samen met mijn moeder en Rita, mijn vrouw, heb ik hem toen naar een psychogeriatrisch verpleeghuis gebracht.
Het moeilijkste moment was toen we hem daar achter lieten en zijn wanhopige blik me weer aankeek. En weer een beroep op me deed. Maar deze keer kon het helaas niet anders.

Dementie is een moeizaam proces van aftakeling. Hij heeft nog 4 jaar geleefd, waarvan het laatste jaar echt helemaal vegetatief. (Ik heb een foto van hem meegebracht…en geplaatst in de rij van indrukkwekkende andere gezichten’/blikken van al die andere indrukkwekkende ‘gelaten’) Mijn moeder is hem iedere dag op gaan zoeken (Haar zie je hier bij het graf van hem wat schoffelen—) en ik kwam er twee keer in de week. Maartje, onze dochter, heeft hij als allerlaatste nog herkend.
Mijn oudste zus is in die vier jaar slechts twee keer in het verpleeghuis geweest. Zij zei: “het is mijn vader niet meer”. Ze herkende hem niet meer als de persoon die hij voorheen was. Zij kon de voor haar vreemde ogen en de blik van zijn aanzien juist niet verdragen. Terwijl ik daar juist immens als mens door geraakt en tot nabij zijn, tot bijstaan was aangetrokken.
Ik kijk met veel liefde op deze periode terug, omdat het mij onverwacht alsnog bijvoorbeeld de kans gaf om een vastgelopen idee los te laten en de relatie met mijn vader nieuwe inhoud te geven.
En vanaf dat moment ben ik me bewust geworden dat mijn vaders blik, dat één blik, een gelaatsuitdrukking zoveel kan betekenen. Dat het een beroep op me deed, waar ik me niet aan kon en wilde onttrekken.

Muziek: Eric Satie – Gymnopedie nr. 1 in de uitvoering van Steve Hacket: Live in Budapest

Waarom heb ik jullie dit verhaal verteld over mijn vader en mij.
Omdat ik voor het eerst in staat was mij door dit bijzonder moment uit mijn persoonlijke, heel negatieve gevoelens los te laten trekken. Gevoelens die allemaal waar waren en gerechtvaardigd, vond ik.
Al langer was ik vaker thuis, zeker ook om mijn moeder te ondersteunen bij het omgaan en verzorgen van mijn vader in het proces van dementeren. En ik had ook wel met hem te doen. En toch bleef dat een beetje buiten mijzelf. Pas toen de kwestie van de verloren tas met gereedschap zich voordeed, veranderde er iets heel wezenlijks bij mij. Ik werd geraakt door de wanhoop in de blik van mijn vader. Ineens het besef bij hem dat hij echt de grip op zijn bestaan was verloren; totaal andere dingen zag en dacht als wat er in de werkelijkheid aan de gang waren.
De emotie in mijn vaders gelaat maakte mezelf los van mijn innerlijke gevoelens naar hem toe. Er was iets wezelijkers aan de hand.
Het drong toen pas echt tot me door wat hij allemaal moest meemaken. Toen zag ik opeens zijn wanhoop, zijn kwetsbaarheid en hulpeloosheid. En dat werd mijn vertrekpunt vanaf dat moment. Dat gelaat van de Ander, die ene blik in de ogen van mijn vader, maakte dat ik er voor hem wilde zijn, ook in het verpleeghuis. Ik ging meteen in de afdelingsraad en de familieraad om dichtbij enige invloed te kunnen hebben. Alle schroom viel weg en ik kon hem met alles verzorgen. Een omslag, die ik mij een jaar eerder waarschijnlijk niet eens had voor kunnen stellen ook.

Levinas

Het belang van het gezicht, het gelaat op ons mensen is een gedachte die heel sterk is doordacht door de Joods Franse filosoof Emmanuel Levinas. Hij is geboren in 1905 in Litouwen. de eerste wereldoorlog heeft hij als kind meegemaakt in de Oekraine. Hij is daar getuige geweest van het eerste antisemitische geweld tegen de Joodse bevolking. Na een studie filosofie is hij naar Frankrijk gegaan en is Frans staatsburger geworden. Tijdens de tweede wereldoorlog heeft hij de hele oorlogsperiode als krijgsgevangene in een kamp gezeten. Zijn vrouw en dochtertje hebben in Parijs ondergedoken gezeten. Ook zij hebben de oorlog overleefd. In tegenstelling tot hun beider families. Daarvan heeft bijna niemand de oorlog verder overleefd. In 1995 stierf hij na een indrukwekkende carrière o.a. aan de Sorbonne.
Levinas was de eerste belangrijke filosoof die in het denken over de grote levensvraagstukken niet uitging van het zelf, vanuit het eigen wezen, maar vanuit de Ander. En die Ander schreef hij consequent met een hoofdletter. Terwijl hij er beslist niets Goddelijks mee bedoelde. Hij wilde alleen het enorme belang van de Ander in je leven duidelijk maken. De Ander die met zijn blik, zijn gezicht of plechtig gezegd met zijn gelaat een appel doet op jou waar je jezelf niet aan kunt onttrekken en dat je maant om tot handelen over te gaan.
Hij gaat zover dat hij stelt dat als je jezelf laat raken door het beroep dat de Ander op je doet door zijn gelaat, zijn menslijkheid, je de Ander niet kunt doden. Een belangrijke en complexe gedachte, die waarschijnlijk juist door zijn oorlogservaringen en het ‘ontmenselijkende’ antisemetisme (het ‘Jodenhaat’) geboren was.

Wie geïnteresseerd is in het verdere gedachtegoed van Levinas, kan op internet heel veel vinden over zijn werk.

Levinas heeft zijn denken nooit gezien als een uitgangspunt voor een zorgethiek.; voor het vraagstuk: wat is goede zorg? Maar ik doe dat persoonlijk wel. De Ander betekent voor mij in de zorg ..dat wij gelijkwaardig zijn aan elkaar, dat wij mensen zijn die voor elkaar zorgen, niet met afstand maar met nabijheid. Het betekent dat ik er wil zijn voor de Ander die het slechter heeft getroffen dan ik. En dat ik niet wegkijk.. ernaast wil staan..in het lijden, in het verlies, wil steunen bij de angst en wanhoop. Dat mijn persoon als werker in de zorg niet anders is dan de persoon die ik ben.

Of, zoals Victor Frankl, een psychiater en Holocaust overlever zei:

” … de vraag naar de zin van het leven moet eigenlijk worden omgekeerd.
uiteindelijk moet de mens niet vragen naar de zin van zijn leven,
maar moet hij veeleer zich ervan bewust zijn dat hem iets wordt gevraagd.
In het kort gezegd: de mens wordt door het leven ondervraagd;
en hij kan alleen maar antwoord geven door middel van zijn eigen leven;
op het leven kun je alleen maar een antwoord geven
door verantwoordelijk te zijn.”