Stefien vertelt …

“Vandaag, bij deze eerste Pleisterplaatsbijeenkomst, wil ik jullie een verhaal vertellen over Abraham. Abraham geldt als een oervader binnen Jodendom, Islam en Christendom. Voor zover we weten heeft hij een kleine tweeduizend jaar voor onze jaartelling geleefd. Hij groeide op bij een wat oudere vader met nog twee broers. Het was in het Midden Oosten, in een tijd dat mannen meerdere vrouwen hadden en dat familie met eigen familie trouwde. Abraham trouwde met zijn halfzus Sara. Sara moet een knappe vrouw geweest zijn.
In die tijd ook geloofde men in het Midden Oosten in meerdere goden; het verhaal wil dat de vader van Abraham maker was van beelden van goden.
Op een of andere manier was bij Abraham het idee ontstaan dat al die houten en stenen beelden niet echt konden bijdragen aan het geluk van mensen. Het aanbidden van een stenen of houten beeld kon volgens hem geen verlossing brengen, verlangens stillen of hoop geven. Abraham bedacht dat het geheim dat het leven van mensen draagt, het geheim dat aan ons leven vooraf gaat en dat er ook nog zal zijn als ons leven ten einde is, dat dat geheim veel verder reikt dan de stenen of houten beelden die hij van zijn vader kende.
Dat geheim van het leven dat noemde Abraham God.
Abraham had het gevoel dat hij weg moest uit die omgeving met al die goden. Maar ook weg uit de omgeving van het vertrouwde en van zijn familie. Hij geloofde dat zijn bestemming elders lag, dat hij pas tot zijn recht kon komen op een andere plaats dan die binnen zijn familie. Nou was tot je recht komen in Abrahams tijd tamelijk eenvoudig: het betekende kinderen krijgen en zoveel mogelijk land en dieren bezitten.
Maar goed, Abraham neemt Sara, een zoon van een overleden broer en nog wat knechten en hun familie mee en ze gaan op reis. Ze komen aan bij de eikenbossen van Mamre en ze slaan er hun tenten op. En het gaat Abraham voor de wind. Hij heeft veel vee en beschikt inmiddels over een uitgestrekt gebied. Maar… het meest wezenlijk deel van Abrahams succes ontbreekt. Sara en hij krijgen geen kinderen. In die tijd is het leven zonder kinderen het toppunt van een zinloos leven.
Abraham is ongelukkig. Met zijn verstand ziet hij heus wel wat er wel lukt in zijn leven, maar uiteindelijk komt het Abraham voor alsof zijn leven in wezen voor niets is geweest. Hij voelt niet dat hij op zijn bestemming is gekomen, hij voelt zich niet tot zijn recht gekomen, het vertrouwen waarmee hij zijn familie heeft verlaten, het vertrouwen dat hij elders het volle leven zou kunnen leven glipt hem door de vingers. Abraham ziet het niet meer en gelooft het niet meer.
Sara ziet Abrahams ongeluk, het moet ook haar ongeluk geweest zijn. Sara broedt op een oplossing en gaat daarin heel ver. Sara weet over haar eigen schaduw heen te springen en stelt voor dat Abraham ten lange leste probeert een kind te verwekken bij hun dienstmeisje Hagar. Je moet dat wel een beetje zien in een tijd waarin het heel gangbaar was dat mannen meerdere vrouwen hadden en bij die verschillende vrouwen ook kinderen verwekten.
Abraham gaat mee in het voorstel van Sara. Hagar wordt zwanger en krijgt een zoon: Ismaël. Abraham is blij met deze zoon, maar dat deze zoon niet voortkomt uit zijn huwelijk met Sara blijft knagen. Abraham probeert zich te schikken in zijn lot en zich neer te leggen bij het feit dat hij niet een ‘echte’ zoon zal krijgen. Inmiddels is hij oud en Sara is over haar vruchtbare tijd heen.

Maar dan, op een dag, het is heet en iedereen probeert zijn rust te vinden, Abraham zit te dutten voor zijn tent, verschijnen er aan de horizon drie mannen. Abraham wrijft zijn ogen uit, het gebeurt eigenlijk nooit dat er zomaar reizigers voorbij gaan. Hij rent de reizigers tegemoet en vraagt hen toch vooral bij hem aan te schuiven, te komen rusten en eten en drinken en zijn woonplek als een pleisterplaats te beschouwen. De drie onbekenden nemen de uitnodiging aan en Abraham geeft opdracht een gemest kalf te slachten, vers brood te bakken van het beste meel en goed te drinken te komen brengen. Terwijl het eten wordt klaar gemaakt, worden er over en weer vriendelijkheden uitgewisseld en vragen gesteld. Abraham is er tamelijk open over dat hij een welvarend man is maar tegelijkertijd een echt eigen kind ontbeert en dus ook niet echt nageslacht zal hebben. Voor hem is zijn leven daarom eigenlijk nutteloos geweest. Maar hij vertelt het zo dat de bezoekers kunnen vaststellen dat hij het ook niet meer verwacht en zich noodgedwongen neerlegt bij zijn lot. Dan vragen de reizigers waar Sara is. Sara is juist in een tent ernaast bezig met de voorbereidingen van het eten, dus Abraham vertelt dat dan ook.
Een van de bezoekers komt dan met de volslagen onbegrijpelijke mededeling dat Sara over een jaar een kind zal hebben.
Sara in de tent ernaast hoort die woorden. Ze vindt de woorden die ze hoort onzinnig en bespottelijk en ze schiet in een cynische lach. De bezoeker hoort dat wel, maar gaat verder: over een jaar zullen Abraham en Sara een kind hebben, het zal een zoon zijn en zijn naam zal Izaäk zijn. Izaäk betekent ‘hij die lacht’. Je kunt denken dat dat te maken heeft met de lach van Sara, maar het kan ook betekenen dat dit kind de lach, de vreugde heeft gebracht in het leven van Abraham en Sara.

En zo gebeurt. Een jaar later wordt Izaäk geboren, zoon van Abraham en Sara. Beide zijn intens gelukkig en Abraham kijkt met verwondering terug op zijn leven. Hoe hij weggetrokken was uit zijn vertrouwde omgeving, het avontuur tegemoet. Aanvankelijk met vertrouwen dat zijn leven vruchtbaar zou zijn, en hoe dat vertrouwen steeds meer tussen zijn vingers weg sijpelde. Hoe hij zich had geprobeerd neer te leggen bij zijn lot. Tot die keer dat die reizigers bij hem op bezoek kwamen met die onbestaanbare boodschap dat Sara en hij op hun oude dag nog een kind zouden krijgen. En dat het onbestaanbare toch waar geworden was.

En zo is het gegaan met Abraham en Sara. Het is een oud verhaal, ik hoop dat jullie het ook een mooi verhaal vonden.”